Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.10.3.1:4.10.3.1 Het afscheidingsrecht en het waardemotief
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.10.3.1
4.10.3.1 Het afscheidingsrecht en het waardemotief
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644785:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Of zoals Paulus het verwoordde (D. 10, 4, 19): “Respondit non oportere ius civile calumnari (…)” “Het antwoord was: men behoort het ius civile niet chicaneus te gebruiken (…).”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht tot afscheiding zou slechts mogelijk moeten zijn als de oude toestand van vóór de vereniging te herstellen is, zoals dat voor alle iura tollendi geldt. Preciezer gesteld: het zou niet van toepassing moeten zijn op bestanddelen zoals vermeld in art. 3:4 lid 2 BW. Beschadiging van betekenis, zowel economisch als fysiek, is in strijd met het waardemotief. Ook in het Romeinse kon afscheiding in zulke gevallen niet gevorderd worden. Denk aan het bronzen standbeeld waaraan een bronzen arm was gelast. Deze arm ging op in het geheel en zou slechts verwijderd kunnen worden door het los te breken. De actio ad exhibendum werd dan niet toegekend. Was de arm aan het standbeeld gesoldeerd, dan was verwijdering zonder (ernstige) beschadiging wel mogelijk. Naar Duits recht geldt deze beperking eveneens. Een afscheidingsrecht wordt slechts toegekend als afscheiding aan het (wezenlijke) bestanddeel én de hoofdzaak geen (ernstige) beschadiging tot gevolg heeft.
De gedachte hierachter is dat de afscheiding economisch “zinvol” moet zijn. Het afscheidingsrecht moet naar Duits voorbeeld daarom niet toegekend worden voor kleinere “reekszaken” (Serienteile), zoals schroeven, bouten, scharnieren, knopjes en hendels. Ofschoon zij (vaak) gemakkelijk los te maken zijn, vervangbaar zijn en na de afscheiding nog bruikbaar zijn, verliezen deze “reekszaken” desalniettemin door de verbinding/invoeging hun identiteit. Zij gaan geheel op in de zaak. Bovendien zijn de kosten van de afscheiding gemeten naar de waarde van de bestanddelen én het tenietgaan van de eenheidszaak onevenredig hoog. Aan de hand van een economische afweging moet men bepalen waar de grens komt te liggen voor wat betreft de reikwijdte van het recht tot afscheiding. Deze economische afweging dient per zaak gemaakt te worden.
Stel dat een leverancier aan een autofabrikant alle schroeven levert onder eigendomsvoorbehoud. De fabrikant gaat failliet. Per gefabriceerde auto dient een afweging gemaakt te worden of het belang van een leverancier prevaleert boven het belang van de overige schuldeisers en het maatschappelijk belang. Het afscheiden van de schroeven heeft tot gevolg dat de auto wordt gedemonteerd. Het belang van de leverancier is te klein om deze gevolgen te rechtvaardigen. Het is economisch niet verantwoord en derhalve in strijd met het waardemotief. Aan de leverancier komt geen afscheidingsrecht toe ondanks het argument dat hij wel een (groot) economische belang heeft als hij alle verwerkte schroeven uit alle vervaardigde auto’s terug zou krijgen.
Daarnaast zou afscheiding niet moeten slagen indien een van beide zaken (de hoofdzaak en het af te scheiden bestanddeel) na de afscheiding niet afzonderlijk gebruikt kan worden. Dit is het geval wanneer de hoofdzaak en de afgescheiden zaak niet langer aan hun (economische) bestemming kunnen voldoen. Daarmee wordt bedoeld, dat ten minste een van de zaken niet meer te gebruiken is na afscheiding. Afscheiding van een speciaal voor die auto ontworpen motor kan niet gevorderd worden, aangezien de auto en de motor na verwijdering niet langer te gebruiken zijn. Het afscheidingsrecht slaagt wel als (bijvoorbeeld) de hoofdzaak na de afscheiding kan functioneren, maar daarvoor een andere zaak nodig heeft die vergelijkbaar is met het af te scheiden bestanddeel. De hoofdzaak kan dan immers nog aan haar bestemming voldoen. Dezelfde eisen zijn van toepassing voor de losgemaakte zaak. Kan deze niet meer gebruikt worden na de verwijdering, dan is afscheiding zinloos en dient het afscheidingsrecht afgewezen te worden. Dit geldt ook als de afscheidingsgerechtigde geen belang heeft bij de afscheiding.1 Voorafgaand aan de afscheiding dient men dus na te gaan wat de feitelijke gevolgen van de afscheiding zijn en een belangenafweging te maken.