Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.10.3.2:4.10.3.2 Het afscheidingsrecht en de rechtszekerheid
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.10.3.2
4.10.3.2 Het afscheidingsrecht en de rechtszekerheid
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644926:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hoofdstuk 2 §2.5.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De reikwijdte van het afscheidingsrecht moet dusdanig zijn, dat de uitoefening ervan niet ten koste gaat van de rechtszekerheid voor derden (zoals bijvoorbeeld een koper). Het afscheidingsrecht staat op gespannen voet met de rechtszekerheid. Een voorbeeld om dit te illustreren.
Garagehouder A heeft tijdelijk zijn motor geplaatst in de auto van B, omdat de originele motor van B gerepareerd moet worden. B verkoopt en levert vervolgens de auto met de motor van garagehouder A aan een koper te goeder trouw.
De koper uit het voorbeeld wil niet geconfronteerd worden met een voor hem onbekende garagehouder die afscheiding van de motor vordert. Met behulp van een “fictie” kan een analoge toepassing van art. 3:86 BW uitkomst bieden om de reikwijdte van het afscheidingsrecht te beperken. Eenzelfde soort fictie is in het Deel over het Duitse recht al ter sprake gekomen.1 Is een eenheidszaak overgedragen aan een derde te goeder trouw, dan werkt het afscheidingsrecht niet tegen hem. De koper uit het voorbeeld kan derhalve niet geconfronteerd worden met het afscheidingsrecht van de garagehouder indien hij niet op de hoogte was van het feit dat in de auto tijdelijk een andere motor was geplaatst. De koper wordt beschermd vanaf het ogenblik dat de auto aan hem feitelijk is geleverd (art. 3:86 BW jo art. 3:90 BW). Zolang B de auto nog onder zich heeft, kan de garagehouder zijn afscheidingsrecht echter nog uitoefenen.
Ofschoon art. 3:86 BW slechts betrekking heeft op de overdracht door een beschikkingsonbevoegde van roerende zaken niet zijnde registergoederen, is voor een analoge toepassing niet van belang of de nagetrokken zaak bestanddeel is geworden van een roerende of onroerende zaak/registergoed. Het afscheidingsrecht rust weliswaar op de gehele eenheidszaak, maar reikt niet verder dan tot het afscheiden van een bestanddeel. Dit bestanddeel zou dan bij een analoge toepassing beschouwd worden als een zelfstandige roerende zaak, als ware zij niet nagetrokken. In deze “fictie” dient men vervolgens na te gaan of aan de regels van art 3:86 BW is voldaan. Zo ja, dan is de derde beschermd tegen het afscheidingsrecht op de eenheidszaak. Als een leverancier bijvoorbeeld zonnepanelen onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd, dan heeft hij een afscheidingsrecht, ook al zijn de panelen door het huis nagetrokken. Wordt vervolgens het huis overgedragen aan een derde te goeder trouw, dan beschermt de analoge toepassing van art. 3:86 BW hem tegen het afscheidingsrecht van de leverancier. Was deze derde daarentegen te kwader trouw, was hij dus op de hoogte van het eigendomsvoorbehoud, dan werkt de afscheidingsactie van de leverancier wél tegen hem.
Had het hier geschetste afscheidingsrecht in 1936 bestaan, dan had leverancier Stork uit het Sleepboot Egbertha-arrest afscheiding van de door hem aan van Gelderen geleverde motor kunnen vorderen. Dit recht had hij bijvoorbeeld te gelde kunnen maken als de verkoper in verzuim was geraakt. Hoe zou het afscheidingsrecht zich verhouden tegenover het (jongere) hypotheekrecht van hypotheekhouder Geldermalsen?