Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.4.2
II.4.2 De wordingsgeschiedenis van de Wet bestuur en toezicht
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242716:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie voorontwerp 13 maart 2008, destijds te raadplegen via internet en later opgenomen in de Bundel NV en BV, p. XIv.1-XIv.30. Het voorontwerp bevatte voorts enkele regels over de rechtsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap en een nieuwe tegenstrijdig belangregeling. Deze regelingen laat ik verder buiten beschouwing.
Op het voorontwerp is veelvuldig gereageerd door vertegenwoordigers van ondernemingen, werknemers, institutionele beleggers, banken, verzekeraars, accountants en de advocatuur, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 6 (MvT).
Zie bijvoorbeeld Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht d.d. 5 juni 2008, p. 3; en Commentaar VNO-NCW op het voorontwerp, p. 1.
Zie bijvoorbeeld Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht d.d. 5 juni 2008, p. 1. Naast de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht raadden nog drie andere respondenten de wetgever aan de regeling niet alleen open te stellen voor de NV en de BV, maar ook voor andere rechtspersonen. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 6 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 18 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 4, 6 en 20 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 2 en 16 (NV). De overige opmerkingen die de respondenten maakten over het voorontwerp, komen hierna thematisch aan de orde.
Zie bijvoorbeeld Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht d.d. 5 juni 2008, p. 3; Commentaar Eumedion op het voorontwerp, p. 2; en Commentaar VNO-NCW op het voorontwerp, p. 8.
De leden van de CDA-fractie en de PvdA-fractie namen met belangstelling kennis van het wetsvoorstel. Ook de leden van de VVD-fractie zagen heil in een wettelijke verankering van het monistische bestuursmodel. De fractieleden van de SP waren minder enthousiast. Zij waren geen voorstander van de concentratie van bestuur en toezicht in één orgaan. Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 1-2 (Verslag).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 4, 6 en 20 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 2 en 16 (NV).
Dit leidde tot discussie in de literatuur. Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/451; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 58.4, p. 1276; Holtzer 2009, p. 63-64; Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:164a/274a BW, aant. 4; Melchers, V&O 2013, afl. 4, p. 60-61; en Nowak, Ondernemingsrecht 2013/8, menen dat vennootschappen met een verzwakt regime voor een monistisch bestuursmodel kunnen kiezen. Deze mening wordt niet gedeeld door Schoonbrood & Klein Bronsvoort, Ondernemingsrecht 2011/115; en Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89. Tijdens het congres van het Instituut voor Ondernemingsrecht op 14 en 15 november 2008, werd vanuit het Ministerie van Justitie aangegeven dat vennootschappen met een verzwakt regime voor zowel een monistisch als een dualistische bestuursstructuur zouden moeten kunnen kiezen. Zie Hijink, Nethe & Wezeman 2009, p. 156-157. Met Dortmond, Ondernemingsrecht 2009/72, meen ik niettemin dat een aanpassing van de wet op dit punt voor de hand ligt. Inmiddels heeft de wetgever stappen gezet om deze omissie te herstellen. Zodra het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen tot wet verheven wordt, bepaalt Boek 2 BW expliciet dat de uitvoerende bestuurders enkel worden benoemd door de niet-uitvoerende bestuurders wanneer de vennootschap onderworpen is aan het volledige structuurregime. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 2, p. 9-10. Ik kom hier in § VI.5.6 op terug.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 5 (Verslag); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 17 (NV). Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 6 (MvT).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 5, p. 6 (Verslag); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 18 (NV). De minister hield zich aan zijn woord. Ik kom hier in § II.4.7 op terug.
Zie Handelingen I 2010/11, 31 763, 29, p. 5.
Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275. De inwerkingtreding op 1 januari 2013 volgt uit het Besluit van 4 oktober 2012, gepubliceerd in Stb. 2012, 455. De invoering van de wet liet enige tijd op zich wachten. De Reparatiewet Wet bestuur en toezicht, Stb. 2012, 440, was hier debet aan. De Reparatiewet was nodig om bestuurders en toezichthouders van niet-commerciële stichtingen uit te sluiten van de toepassing van de regeling die een beperking van het aantal toezichthoudende functies aan bestuurders en commissarissen oplegt. Ik laat deze materie verder rusten.
In 2008 zag het voorontwerp van het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (hierna: het voorontwerp) het licht. Het voorontwerp voorzag in een wettelijke basis voor de instelling van het monistische bestuursmodel bij niet-structuurvennootschappen.1
Op 13 maart 2008 stelde het Ministerie van Justitie het voorontwerp via internet ter consultatie beschikbaar.2 De reacties op het voorontwerp waren over het algemeen positief. Nagenoeg alle respondenten meenden dat de voorgestelde regeling voorzag in de toenemende behoefte in de praktijk aan een one tier board.3 Verschillende respondenten plaatsten evenwel kanttekeningen bij de wijze waarop het voorontwerp uitvoering gaf aan de introductie van het monistische bestuursmodel in Boek 2 BW. Vooral het toepassingsbereik van de regeling stuitte op krachtig verzet. Zo is in de commentaren op het voorontwerp herhaaldelijk de vraag gesteld of de regeling niet zou moeten gelden voor alle privaatrechtelijke rechtspersonen.4 Ook op de keuze van de wetgever om het monistische stelsel enkel open te stellen voor niet-structuurvennootschappen werd de nodige kritiek geuit.5 Vrijwel alle respondenten waren van mening dat structuurvennootschappen eveneens voor een one tier-structuur zouden moeten kunnen kiezen.6
Nadat hij de commentaren op het consultatiedocument had verwerkt, diende de minister op 6 november 2008 het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (hierna: het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht) in bij de Tweede Kamer. Vrijwel alle Tweede Kamerleden reageerden positief op het wetsvoorstel.7
In het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht zijn de meeste bezwaren tegen het voorontwerp uit de weg geruimd. Zo ging de minister overstag en werd het monistische bestuursmodel toch opengesteld voor structuurvennootschappen.8 Hij vergat daarbij echter in een regeling omtrent de toepassing van het verzwakte regime te voorzien.9 Verder werd de minister stevig aan de tand gevoeld door de leden van de CDA-fractie. Zij stelden hem de vraag waarom hij geen gehoor had gegeven aan het pleidooi van onder anderen de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht om de regeling voor alle privaatrechtelijke rechtspersonen open te stellen. De minister verdedigde zijn keuze met het argument dat de behoefte aan een wettelijke regeling inzake het monistische bestuursmodel het grootst bleek bij de NV en de BV.10 Hij was zich ervan bewust dat verschillende respondenten hadden aangegeven dat ook bij coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen behoefte bestaat aan een regeling die aan het monistische bestuursmodel een wettelijke basis geeft. De minister kondigde daarom aan op een later moment met een regeling te komen die voorziet in een nadere uitwerking van het monistische bestuurssysteem voor de overige in Boek 2 BW geregelde rechtspersonen. Hij achtte het vanuit praktisch oogpunt wenselijk om eerst het debat over het onderhavige wetsvoorstel af te ronden, om vervolgens de daaruit voorkomende regeling uit te breiden tot andere rechtsvormen.11
De Wet bestuur en toezicht is op 31 mei 2011 door de Eerste Kamer aangenomen.12 Zij trad uiteindelijk op 1 januari 2013 in werking.13