Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.4.4
II.4.4 Intermezzo: het Rijnlandse vs. het Anglo-Amerikaanse model
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242847:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Ik duid deze modellen in navolging van Bezemer, Van den Bosch & Volberda 2012; en Frijns, Mensonides & Schreurs, NV 1995, afl. 12, p. 265, aan als ‘corporate governance modellen'.
Bezemer, Van den Bosch & Volberda 2012, p. 18; en Frijns, Mensonides & Schreurs, NV 1995, afl. 12, p. 265.
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/127; Bezemer, Van den Bosch & Volberda 2012, p. 18; en Frijns, Mensonides & Schreurs, NV 1995, afl. 12, p. 265.
Frijns, Mensonides & Schreurs, NV 1995, afl. 12, p. 266; en Tabaksblat, NV 1995, afl. 73, p. 243.
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/127; Bezemer, Van den Bosch & Volberda 2012, p. 18; Frijns, Mensonides & Schreurs, NV 1995, afl. 12, p. 266; en Rinnooy Kan 2009, p. 8.
Frijns, Mensonides & Schreurs, NV 1995, afl. 12, p. 266; en Tabaksblat, NV 1995, afl. 73, p. 243. Rinnooy Kan omschrijft de Rijnlandse traditie als een traditie die zich kenmerkt door samenwerking, duurzaamheid en belangenafweging, zie Rinnooy Kan 2009, p. 8.
HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 m.nt. Houwing (Doetinchemse IJzergieterij).
Zie onder andere HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer (ABN Amro); en HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (ASMI). Zie in dezelfde zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/122; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.5, p. 933-934; Calkoen 2012, p. 297; en Handboek 2013/231, p. 483.
Onder anderen Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 293; en Mendel 1989, p. 3-5. Maeijer omschreef het begrip ‘vennootschappelijk belang’ voor het eerst in zijn inaugurele rede, opgenomen in Bulten, Jansen & Van Solinge 2009, p. 141-162. Maeijer nam in zijn oratie uitdrukkelijk afstand van Löwensteyn, die meende dat het belang van de vennootschap identiek was aan het belang van aandeelhouders om winst te behalen, zie Löwensteyn 1959, p. 136, 184, 237 en 238.
Onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nrs. 394-395; Handboek 2013/231, p. 483-484; en Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 28. In de nieuwste druk hebben Van Solinge en Nieuwe Weme en Winter en Wezeman deze opvatting verlaten, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/127; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 28-29. Voor een uitgebreid overzicht van de verschillende benaderingen die bestaan over de inhoud van het begrip ‘vennootschappelijk belang’, verwijs ik naar Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/126-127.
Zie HR 4 april 2014, NJ 2014, 286 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/290 m.nt. De Haan (Cancun).
Zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 3 (MvA).
Zie Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 9. Zie voor de stelling van de minister Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 2 (MvA).
Zie Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 23.
Vliegenthart onderbouwde zijn standpunt met literatuur over de varieties of capitalism, zie Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 25.
Zie Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 23 en 25. De minister herhaalde zijn standpunt in Kamerstukken II 2018/19, 34 491, 9, p. 3-4 (NNV).
Couwenberg uitte zijn zorgen tijdens het door het Instituut voor Ondernemingsrecht georganiseerde congres dat was gewijd aan het thema ‘bestuur en toezicht’. Van de tijdens dit congres gevoerde discussie is een verslag opgesteld door Hijink, Nethe & Wezeman, zie Hijink, Nethe & Wezeman 2009, p. 151-169.
Hijink, Nethe & Wezeman 2009, p. 156.
Hijink, Nethe & Wezeman 2009, p. 156. Ter onderbouwing van zijn standpunt wees Timmerman erop dat het monistische bestuursmodel juist ook het dominerende model is in de Latijnse landen, zie Hijink, Nethe & Wezeman 2009, p. 156; en Timmerman, Ondernemingsrecht 2009/2.
Boschma e.a. 2018, p. 99-100.
Boschma e.a. 2018, p. 99-100. Zie in dezelfde zin Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 10 (MvT); Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 3 (MvA); en Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 23.
Van oudsher bestaan er verschillende opvattingen over de rol van ondernemingen. Deze opvattingen hebben onder meer gevolgen voor de wijze waarop ondernemingen zijn ingericht. Er zijn wereldwijd twee corporate governance modellen te onderscheiden, te weten het Anglo-Amerikaanse model en het Rijnlandse model.1 De namen van deze modellen refereren aan de geografische ligging van de landen waarin zij vigeren.2
In het model dat van Anglo-Amerikaanse afkomst is, wordt de onderneming kort gezegd gezien als een verlengstuk van de aandeelhouders. In dit corporate governance model ligt de focus dan ook op waardemaximalisatie voor de aandeelhouders op korte termijn.3 In het Anglo-Amerikaanse model zijn bestuur en toezicht van oudsher ingericht volgens het monistische bestuursmodel.4
Tegenover het Anglo-Amerikaanse model staat het in Nederland gewortelde Rijnlandse model. In laatstgenoemd model wordt de onderneming beschouwd als een lange termijn samenwerkingverband tussen alle bij de onderneming betrokken partijen, onder wie aandeelhouders en werknemers.5 In de Rijnlandse traditie past het oudvaderlandse gebruik om bestuur en toezicht te scheiden.6
De Rijnlandse gedachte dat een onderneming meer is dan enkel een verlengstuk van de aandeelhouders, is al geruime tijd in het Nederlandse ondernemingsrecht te vinden. Zoals ik in § II.2.3 al schreef, bepaalde de Hoge Raad reeds in 1949 dat commissarissen zich bij de vervulling van hun taak moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.7 In 1971 is deze rechtsregel gecodificeerd.8 Hoewel de Wet van 6 mei 1971 geen richtsnoer bood voor de wijze waarop bestuurders hun taak behoorden te vervullen, was de heersende opvatting dat ook zij zich moesten richten naar het ‘vennootschappelijk belang’.9 Sinds de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013 is deze lacune opgevuld. Het thans geldende art. 2:129/239 lid 5 BW schrijft voor dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
De vraag komt op wat onder het begrip ‘vennootschappelijk belang’ moet worden verstaan. Zoals hiervoor vermeld is, bestaat in de literatuur nog altijd discussie over de invulling van deze open norm. Zonder op de finesses in te gaan, komt de discussie erop neer dat verschillende auteurs het vennootschappelijk belang beschouwen als het zelfstandige belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel.10 Anderen omschrijven het begrip als de resultante van de afweging van de belangen van hen die bij de vennootschappelijke werkzaamheid zijn betrokken.11 In 2014 verschafte de Hoge Raad duidelijkheid over de wijze waarop de norm ingekleurd moet worden. De Hoge Raad oordeelde dat de inhoud van het vennootschappelijk belang wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Als aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het belang van de vennootschap in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van de door de vennootschap gedreven onderneming. De bestuurders en commissarissen dienen bij het bevorderen hiervan zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming betrokken zijn.12
Ik keer terug naar de opmerkingen die tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht over het Rijnlandse en het AngloAmerikaanse model werden gemaakt. De minister merkte tijdens de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel terecht op dat het monistische bestuursmodel en het Anglo-Amerikaanse model niet over één kam zijn te scheren. In Nederland geldt het Rijnlandse model zowel voor vennootschappen met een monistisch bestuursmodel als voor vennootschappen die een dualistisch bestuursmodel hanteren. Dit betekent onder meer dat de bestuurders en de toezichthouders zich bij de vervulling van hun taak moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, ongeacht het bestuursmodel dat de vennootschap hanteert. De Wet bestuur en toezicht laat het in Nederland vigerende Rijnlandse model met andere woorden onverlet, aldus de minister.13
Ook tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht kwam het verschil tussen het Rijnlandse model en het Anglo-Amerikaanse model uitgebreid ter sprake. Volgens Kamerlid Vliegenthart (SP) is het monistische systeem veel meer gericht op de korte termijn dan het dualistische systeem. Hij achtte de stelling van de minister dat aan het ene model geen grotere risico’s zijn verbonden dan aan het andere model, derhalve ‘op haar minst dubieus’.14 In zijn reactie op de opmerking van Vliegenthart herhaalde de minister dat het Rijnlandse model voor zowel het monistische als het dualistische systeem geldt. Het deed hem dan ook deugd van Vliegenthart te horen dat wetenschappelijk is aangetoond dat het Rijnlandse model op de lange termijn succesvoller is dan het Anglo-Amerikaanse model.15
Hiermee was de kous niet af. Vliegenthart leverde kritiek op de wijze waarop de minister het monistische bestuurssysteem in het in Nederland gewortelde Rijnlandse model wilde ‘fietsen’. Door in dit model een monistisch element te passen, ontstond volgens hem een soort ‘hybride vorm van kapitalisme’, hetgeen de economie als zodanig geen goed zou doen.16 De minister hield voet bij stuk. Zijns inziens voldeed de voorgestelde regeling aan alle elementen van het Rijnlandse model.17
Vliegenthart was niet die enige die zijn zorgen uitte over het inpassen van het van Anglo-Amerikaanse afkomst zijnde monistische bestuursmodel in het Nederlandse ondernemingsrecht. Ook Couwenberg voorzag moeilijkheden.18 Hij merkte op dat het monistische bestuursmodel vooral voorkomt in landen waarin ondernemingen worden beschouwd als een verlengstuk van de aandeelhouders. In continentaal Europa, waar het Rijnlandse model vigeert, is het dualistische bestuursmodel gemeengoed. Volgens Couwenberg kon het element van belangenafweging wel eens moeilijk in het monistische bestuursmodel worden ondergebracht.19 Timmerman deelde de mening van Couwenberg niet. Hij was van mening dat het afwegen van verschillende belangen ook binnen een one tier board kan plaatsvinden.20
Boschma e.a. onderschrijven de opvatting van Timmerman. Volgens hen zijn er geen aanwijzingen dat in een one tier board geen evenwichtige belangenafweging zou kunnen plaatsvinden.21 Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen zij erop dat bestuurders zich op grond van art. 2:129/239 lid 5 BW behoren te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Deze bepaling geldt voor alle bestuurders, dus ook voor de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders in een one tier board.22