Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.4.5
II.4.5 Evaluatie van de Wet bestuur en toezicht: wordt voorzien in een behoefte?
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242782:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 23-25.
De evaluatie is verschenen in boekvorm. Zie Boschma e.a. 2018.
Boschma e.a. 2018, p. 99 en 102.
Zoals gezegd, was het gros van de auteurs de mening toegedaan dat niet-structuurvennootschappen ook al voor de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht voor het monistische bestuursmodel konden kiezen. Niet alle schrijvers waren het met deze opvatting eens. Onder anderen Den Boogert, Ondernemingsrecht 2003, afl. 11, p. 410; De Kluiver 2004, p. 38; Oranje 2008, p. 77; en Van Veen, WPNR 2004/6565, p. 122, vroegen zich af of het monistische bestuursmodel verenigbaar was met het tot 1 januari 2013 geldende recht.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 2, p. 9-10. Zie hierover ook § II.4.7 en § VI.5.6.
Abma, Goed Bestuur. Tijdschrift over Governance 2012, afl. 3, p. 23-24. Abma deed onderzoek bij New Sources Energy NV, Heineken Holding NV, TMC NV, Kardan NV, D.E. Master Blenders 1753 NV, Unilever NV en Cryo-Save Group NV. Hij concludeerde dat de achtergrond en de karakteristieken van de onderneming en de persoonlijke voorkeuren en achtergronden van bestuurders de grootste drijvers waren om een one tier board in te voeren. Bekendheid met het model bij beleggers en de flexibiliteit van het model werden ook als redenen genoemd, maar waren volgens Abma nevengeschikt.
Boschma e.a. 2018, p. 88, 98 en 101.
Boschma e.a. 2018, p. 56.
Zie Boschma e.a. 2018, p. 63-64, 88-90. Op p. 90-91 gaan Boschma e.a. in op andere redenen die aan de keuze voor het monistische bestuursmodel ten grondslag lagen.
Tot deze slotsom kwam Calkoen al in 2014, toen hij onderzoek deed naar het faciliterende effect van de wettelijke verankering van het monistische bestuursmodel voor buitenlandse investeerders. Zie Calkoen, Ondernemingsrecht 2014/4.
Boschma e.a. 2018, p. 88-89, 98 en 101.
Zoals ik in § II.4.3 al schreef, beoogde de wetgever met de Wet bestuur en toezicht de rechtszekerheid te vergroten en bij te dragen aan de verruiming van de bruikbaarheid van de NV en de BV in nationale en internationale verhoudingen. Verschillende Eerste Kamerleden waren benieuwd of de wet in de praktijk zou uitpakken zoals de wetgever voor ogen stond. Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel drongen zij de minister aan de werking van de wet in de praktijk te evalueren.1 Minister Opstelten zegde toe. In 2016, drie jaar na haar inwerkingtreding, werd de werking van de Wet bestuur en toezicht in de praktijk door Boschma e.a. geëvalueerd.2
Boschma e.a. stonden allereerst stil bij de rechtszekerheid. Zij beantwoorden de vraag of de invoering van de Wet bestuur en toezicht de rechtszekerheid heeft vergroot in zijn algemeenheid bevestigend.3 Ik deel hun conclusie. Sinds de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht bestaat in de literatuur logischerwijs geen onenigheid meer over het antwoord op de vraag of het monistische bestuursmodel verenigbaar is met de Nederlandse wet.4 Wel is nog altijd onduidelijk of vennootschappen met een monistisch bestuursmodel het verzwakte structuurregime kunnen toepassen. De wetgever heeft inmiddels stappen gezet om deze onduidelijkheid weg te nemen.5 De vraag of de wet ook de onzekerheid over de inrichting van het monistische bestuursmodel, de verenigbaarheid van een vergaande taakverdeling met de wet en de gevolgen van een taakverdeling voor het beginsel van collegiale bestuursverantwoordelijkheid heeft weggenomen, beantwoord ik in de hoofdstukken waar de desbetreffende onderwerpen aan bod komen.
Resteert de vraag of de Wet bestuur en toezicht beantwoordt aan het andere doel waarvoor zij oorspronkelijk werd geïntroduceerd. Heeft de invoering van de one tier board in Boek 2 BW bijgedragen aan de voorgestane vergroting van de gebruiksmogelijkheden van de NV en de BV? En is het vestigingsklimaat na haar inwerkingtreding aantrekkelijker geworden?
Deze vragen hielden ook Abma bezig. Hij had niet de indruk dat Nederlandse beursvennootschappen na de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht massaal zouden overstappen naar de monistische bestuursstructuur. Hij trok deze conclusie uit de resultaten van zijn onderzoek naar de redenen van zeven Nederlandse beursvennootschappen om het monistische bestuursmodel in te voeren.6 Nederlandse beursvennootschappen zijn inderdaad niet massaal overgestapt van het dualistische bestuursmodel naar het monistische bestuursmodel. Maar uit het onderzoek van Boschma e.a. volgt dat de Wet bestuur en toezicht de bruikbaarheid van de rechtsvorm van de NV en de BV in nationale verhoudingen wel degelijk heeft vergroot. Ook in internationale verhoudingen is de wet van toegevoegde waarde.7 Boschma e.a. constateerden dat in juli 2017 de helft van de Nederlandse beursvennootschappen met een notering buiten Nederland een monistische structuur kende.8 Aan de keuze voor het monistische bestuursmodel bleek meer dan eens het investment-motief ten grondslag te liggen.9 Dat verbaast mij niet. Het monistische bestuursmodel biedt immers een herkenbare structuur voor buitenlandse investeerders.10
De conclusie van Boschma e.a luidt dat de Wet bestuur en toezicht in een behoefte voorziet.11 Dit wil evenwel niet zeggen dat de als gevolg van de Wet bestuur en toezicht ingevoerde of gewijzigde bepalingen niet voor verbetering vatbaar zijn. In de volgende hoofdstukken ga ik in op de lacunes en knelpunten in de wettelijke regeling. Daarbij besteed ik steeds aandacht aan de parlementaire geschiedenis en doe ik – indien nodig – voorstellen tot wijziging.