Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.4.4.4
4.4.4.4 Plicht tot implementatie van Europese soft law?
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396082:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent ook Luijendijk & Senden 2011, p. 329.
Senden 2008, p. 48; Senden 2004, p. 351 e.v. Zie HvJEG 30 september 1987, 229/86 (Brother Industries), Jur. 1987, p. 3757 waarin het Hof overweegt dat een memorandum van de Commissie gericht tot de lidstaten bij gebreke van uitdrukkelijke bepaling in het verdrag of in normatieve handelingen van de instellingen, de lidstaten niet tot het nemen van bepaalde maatregelen kan verplichten. Het beginsel van loyale samenwerking heeft evenmin tot gevolg dat de lidstaten dergelijke maatregelen moeten nemen, aldus het Hof. Vaststellingen van de Commissie vormen in voorkomend geval slechts een niet-bindende aanwijzing.
Zie ook Luijendijk & Senden 2011, p. 329; Senden 2008, p. 48; Senden 2004, p. 346 e.v.
Senden 2004, p. 348.
GvEA 13 december 1990, T-113/89 (Nefarma), Jur. 1990, p. II-797, r.o. 79.
Zie hieromtrent ook Thomas 2009, p. 432-433 en Luijendijk & Senden 2011, p. 330.
Thomas 2009, p. 432-433.
HvJEG 15 oktober 1996, C-311/94 (IJssel-Vliet), Jur. 1996, p. 1-5023.
HvJEU 2 december 2010, C-464/09P (Holland Malt BV), Jur. 2010, p. 1-12443.
Zie hieromtrent uitgebreid Luijendijk & Senden 2011, p. 331 en 332.
In hoeverre zijn de lidstaten gehouden om Europese soft law te implementeren in het nationale recht? Uit artikel 291 VWEU kan a contrario worden afgeleid dat een dergelijke verplichting niet bestaat. Ingevolge deze bepaling nemen de lidstaten alle maatregelen van intern recht die nodig zijn ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie.1 Ook uit het beginsel van loyale samenwerking — hoewel ruimer geformuleerd dan voormeld artikel 291 — kan geen algemene verplichting worden afgeleid voor de lidstaat om Europese soft law-handelingen te implementeren.2 De implementatie van Europese soft law-handelingen is dan ook een aangelegenheid van de lidstaten zelf.3 De lidstaten zijn wel bevoegd om soft law te implementeren in de nationale rechtsorde.4 Dit heeft het Gerecht bepaald in het Nefarmaarrest.5Indien de lidstaat ervoor kiest Europese soft law in het nationale recht te implementeren, heeft dit tot gevolg dat nationale uitvoeringsorganen hieraan op grond van het nationale recht zijn gebonden.6 Het bezwaar hiertegen is dat juridisch niet-bindende normen transformeren tot een wet.7
Indien echter op grond van de in paragraaf 4.4.4.3 besproken factoren tot het oordeel wordt gekomen dat de lidstaat en nationale uitvoeringsorganen aan de desbetreffende Europese soft law zijn gebonden, kan wel een noodzaak tot implementatie bestaan. Deze verplichting geldt indien — zoals in de arresten IJssel-Vliet8en Holland Malt9 — de Europese soft law ook betekenis heeft voor particuliere partijen. Om de Europese soft law ten aanzien van deze particulieren, in het kader van dit onderzoek betreft het de eindontvangers van de Europese subsidies, te kunnen inroepen, zal het desbetreffende nationale uitvoeringsorgaan ervoor moeten zorgdragen dat de soft law voor hen kenbaar is. Hierop wordt in de volgende paragraaf nog verder ingegaan. Verder kan voor de wetgever in de Europese secundaire wetgeving een verplichting zijn neergelegd om bij de implementatie daarvan rekening te houden met Europese soft law.10 Voorbeelden van dergelijke bepalingen in de Europese subsidieregelgeving zijn mij niet bekend.