Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.3.5.b
VI.3.5.b Vrijwaring
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373740:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bij Kamerstukken 18 905, nr. 7 (NvW), p. 1-2, zijn de woorden 'of uitsluitend' ingevoegd. Westbroek had namelijk op de mogelijkheid gewezen dat de oorspronkelijk gedagvaarde aandeelhouder in het geheel geen blaam trof, en dus 'uitsluitend' het gedrag van de niet-gedagvaarde aandeelhouders tot uittreding aanleiding zou geven. Zie Westbroek (1985/2), p. 728.
Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 711.
Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 23: 'De rechter kan rekening houden met de omstandigheden van het geval.'
Zie bijv. OK 9 december 1993, NJ 1994, 324 (Architektenburo). De OK oordeelde in deze uittredingszaak dat drie van de vijf gedaagde aandeelhouders niet aan de norm van art. 2:343 BW voldeden. Een veroordeling van hen tot overname en betaling was derhalve niet op haar plaats. Tegen de andere twee aandeelhouders daarentegen was de uittredingsvordering toewijsbaar, gezien de geïncrimineerde gedragingen die zij aan de dag legden.
Rb. Rotterdam 5 november 1998, JOR 1999/28 (Sobi/Metz), ro. 4.2. Tevens merkte de rechtbank op dat zij er vanuit ging dat de twee aandeelhouders in gelijke mate hebben bijgedragen aan de ontstane situatie. Dit hing samen met de verdeling van de over te dragen aandelen, zie de eerste zin van art. 2:343 lid 1 BW waarin gesproken wordt over let door de rechter vastgestelde aantal aandelen'.
Naast de voeging is er in de uittredingsprocedure de expliciete mogelijkheid de niet-gedagvaarde aandeelhouders in het geding te betrekken. Deze regel lijkt op een speciale vorm van vrijwaring. Op grond van art. 2:343 lid 2 BW kan de gedaagde aandeelhouder een andere aandeelhouder in het geding oproepen, indien hij van oordeel is dat de vordering ook of uitsluitend tegen die aandeelhouder had behoren te worden ingesteld.1 Indien de incidentele vordering gehoor vindt bij de rechter, dan geldt dat de in vrijwaring opgeroepen aandeelhouder 'ook' of 'uitsluitend' de aandelen van de uittredende aandeelhouder moet overnemen en betalen.2
De procesrechtelijke bepalingen over vrijwaring in art. 210-216 Rv zijn van overeenkomstige toepassing. De rechter stelt vervolgens 'per gedaagde aandeelhouder' het aantal aandelen vast dat hij moet overnemen. De verdeling behoeft niet alleen naar rato van het aandelenbezit te zijn. De mate van het hinderlijk gedrag kan tot een andere verdeling leiden.3 Zijn er in een uittredingsprocedure meer aandeelhouders gedagvaard, dan is het niet van rechtswege zo dat, bij een toewijzend vonnis, zij allen aandelen dienen te betalen en over te nemen. Slechts indien hun gedrag tot uittreding aanleiding geeft, bestaat 'de straf' uit de betaling van de over te dragen aandelen.4
In 1998 zag de rechtbank Rotterdam in een uittredingsprocedure dat niet alle aandeelhouders in het geding betrokken werden. Zij stelde dat de drie eisers blijkbaar alleen in de gedragingen van de twee gedaagden aanleiding zagen hun aandeelhouderschap aan de wilgen te hangen. De twee gedagvaarde aandeelhouders hadden op hun beurt met toepassing van art. 2:343 lid 2 BW ook niet de overige aandeelhouders in het geding betrokken, meldde de rechter. Hij concludeerde vervolgens dat op dit punt blijkbaar geen verschil van mening bestond tussen de partijen.5