Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.5.3.2:4.5.3.2 Strikte leer
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.5.3.2
4.5.3.2 Strikte leer
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS494152:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
L. Timmerman, 'Enkele opmerkingen van theoretische aard over omzetting van rechtspersonen', S&V 1993, p. 147, C.W. de Monchy, Rechtspersonen. Boek 2 BW Deventer: Kluwer (losbl.), artikel 18, aant. 6 en A.F. Klamer, 'Omzetting stichting en vermogensklem', V&O 19935, p. 57-58.
B. Snijder-Kuipers, 'Vermogensklem bij omzetting van stichtingen', TvOB 2008-2, p. 52-53.
Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-11, nr. 154.
C.W. de Monchy, Rechtspersonen. Boek 2 BW, Deventer: Kluwer (losbl.), artikel 2:18 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur wordt weinig aandacht geschonken aan de rechtsfiguur 'rechts-vormwijziging'. Voor zover literatuur daarover beschikbaar is, zijn de woorden die gewijd zijn aan wat nu de vermogensklem inhoudt, zeer beperkt. Het stichtingsdoel en het bepaalde in artikel 2:285 lid 3 BW hebben nawerking bij rechts-vormwijziging van een stichting door de vermogensklembepaling.1 Deze bepaling werkt echter nog sterker. Indien de statuten dat toelaten, kan een stichting het doel wijzigen. Na rechtsvormwijziging is dat uiteraard niet meer mogelijk. Het oorspronkelijke doel van de stichting werkt na rechtsvormwijziging ongewijzigd door, niet alleen ten aanzien van het vermogen op dat moment maar ook ten aanzien van de vruchten van dat vermogen.
In de praktijk wordt lid 6 van artikel 18 BW in de statuten letterlijk opgenomen. Daarmee wordt aan de wettelijke eis voldaan. Het is onduidelijk hoe hier concreet door bestuurders van een van rechtsvorm gewijzigde stichting mee wordt omgegaan. Aangezien de wijze van invulling en naleving onduidelijk is, is onduidelijk of de wettelijke bepaling in de huidige vorm tot het gewenste resultaat leidt. Het is niet uitgesloten dat de wettelijke regeling niet tot problemen aanleiding geeft aangezien een ieder een eigen invulling kan geven. In de jaarrekening of andere financiële verantwoording zal het beklemde vermogen tot uitdrukking worden gebracht.
Indien de strikte leer2 wordt aangehangen, omvat het doelvermogen van de stichting op het moment van rechtsvormwijziging het gehele vermogen op dat moment. Dat vermogen wordt als het ware gefixeerd.3 Degene die de strikte leer aanhangen interpreteren beklemd vermogen als beklemming van alle vermogensbestanddelen. Vruchten van vermogen zijn de rechtstreekse inkomsten uit het doelvermogen, te weten rente op een bankrekening of dividenden verkregen uit aandelen die de stichting hield.4 De strikte leer doet het meeste recht aan de aard van de rechtspersoon 'stichting' en biedt de meeste bescherming aan het doelgebonden karakter van het vermogen.
Op het moment van rechtsvormwijziging van de stichting wordt een balans opgesteld om een overzicht van het beklemde vermogen te geven. Elk vermogensbestanddeel, zoals vermeld op de balans, is in deze visie beklemd. Mutaties van een vermogensbestanddeel hebben tot gevolg dat de hoogte van het beklemde vermogen wijzigt. De balans zoals die op dat moment bestaat, wordt gefixeerd. Dat impliceert dat beide zijden van de balans, debet en credit, onder de vermogensklem begrepen moeten worden. Als het pand beklemd is, is de hypotheek op dat pand dat ook. Daarom: alle vermogensbestanddelen, actief en passief, zijn beklemd. Vermogen dat aangekweekt wordt door het uitoefenen van een onderneming valt hier uitdrukkelijk ook onder tenzij gefinancierd door externe gelden.
In een strikte leer kan vermogen niet anders dan in overeenstemming met het doel van de vroegere stichting besteed worden. Besteding op andere wijze kan slechts plaatsvinden na verkregen rechterlijke toestemming. Uit de jurisprudentie blijkt niet dat een dergelijke toestemming ooit expliciet gegeven is. Rechtsvormwijziing van een dergelijke rechtspersoon geeft geen flexibiliteit, vooral niet vanwege het feit dat het doel gefixeerd is en blijft. Daarnaast kan vermogensvermenging na rechtsvormwijziging tot praktische onduidelijkheden aanleiding geven. Wellicht is na veertig jaar lastig te achterhalen welke (vruchten van) vermogensbestanddelen (nog) beklemd zijn.