Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/2.2.1
2.2.1 Nederland
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS365042:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 maart 1966, ECLI:NL:PHR:1966:AC4642, NJ 1966, 279 (Moffenkit). Een ouder arrest dat ook als een zaak van productaansprakelijkheid gekwalificeerd zou kunnen worden, is HR 6 april 1933, NJ 1933, blz. 881 m.nt. E.M. Meijers (Acetyleencilinder). De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat het in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid om als fabrikant van zuurstof- en las- en snijapparaten, een acetyleen-cylinder te verhuren zonder de deugdelijkheid van de zaak te controleren, terwijl de fabrikant de verhuurde zaak tweedehands van een onbekende heeft gekocht. Relevant is bovendien Gerechtshof Amsterdam 27 juni 1957, NJ 1958, 104 (Ford). Het hof oordeelde dat de producent aansprakelijk was op grond van onrechtmatige daad voor het afleveren van een auto waaraan een fabrieksfout kleefde. Hoewel het met het oog op een economische bedrijfsvoering niet onbegrijpelijk is dat de producent toegeleverde onderdelen niet extensief (her)controleert, komt dat wel voor zijn risico.
Vgl. Giesen 2010, p. 160.
HR 2 februari 1973, ECLI:NL:PHR:1973:AB6726, NJ 1973, 315 (Lekkende kruik).
Vgl. Giesen 2010, p. 161.
HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion).
HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 4.4.2 (Halcion).
HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1197, NJ 1994, 214 (Leebeek/Vrumona). Vlg. Dommering-van Rongen 2000, p. 14.
HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2221, NJ 1997, 219, r.o. 3.5 (DuPont/Hermans).
HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2221, NJ 1997, 219, r.o. 3.5 (DuPont/Hermans).
Vgl. Giesen 2010, p. 166-167.
HR 22 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2994, NJ 2000/159, m.nt. A.R. Bloembergen, r.o. 3.4 (Koolhaas c.s./Rockwool): ‘Naar het te dezen toepasselijke, vóór 1 januari 1992 geldende recht, evenals naar het sedertdien geldende recht, is het in het verkeer brengen van een product dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was, schade veroorzaakt, onrechtmatig jegens gebruikers van het product (vgl. HR 6 december 1996, nr. 16137, NJ 1997, 219). Anders dan het Hof klaarblijkelijk heeft aangenomen, brengen de enkele omstandigheden dat het om een halffabrikaat gaat en dat dit product niet in absolute zin ongeschikt is gebleken voor het door de rechtstreekse afnemer beoogde doel, niet mee dat die regel uitzondering zou moeten lijden’.
Zoals de franchise van artikel 6:190 BW en de verjaringstermijn van artikel 6:191 BW. Vgl. Verbruggen en Van Leeuwen 2015, par. 5.1.
Voor de introductie van de Richtlijn diende een vordering jegens de producent in Nederland gegrond te worden op een onrechtmatige daad.
Een belangrijk arrest in de ontwikkeling van het productaansprakelijkheidsrecht in Nederland is het Moffenkit-arrest.1 In deze zaak had HIM aan een aannemer van de gemeente rioolafdichtingsmateriaal (Moffenkit) geleverd dat ondeugdelijk bleek te zijn. De gemeente sprak HIM aan voor de schade op grond van onrechtmatige daad. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de levering van ondeugdelijk materiaal in dit geval aangemerkt kon worden als ‘een handelen in strijd met de zorgvuldigheid welke HIM in het maatschappelijk verkeer, gelet op de gerechtvaardigde belangen van de Gemeente, jegens deze had in acht te nemen’. HIM had Moffenkit openlijk aangeprezen en moest op grond daarvan verwachten dat ‘aanbesteders zouden kunnen worden verlokt om bedoelde moffenkit in de door hen opgedragen werken te doen toepassen’. Derhalve is HIM, door er niet voor te zorgen dat er geen ondeugdelijk materiaal werd geleverd, tekortgeschoten in de door haar in acht te nemen zorgvuldigheid, aldus het hof en de Hoge Raad.
De Hoge Raad lijkt in het Moffenkit-arrest (nog) niet aan te nemen dat het leveren van ondeugdelijk materiaal an sich onrechtmatig is jegens derden.2 Echter, onder omstandigheden, zoals in geval van openlijke reclame voor het product door de producent, kan dit wel tot onrechtmatigheid leiden.
Een volgend belangrijk arrest in de ontwikkeling van de aansprakelijkheid van de producent in het Nederlandse recht is het arrest inzake de lekkende kruik.3 In deze zaak was door een van de leden van de familie Van Uitert een warmwaterkruik gekocht van het merk Jumbo. Deze kruik is, na de geboorte van een kind in deze familie, aan de kraamverzorgster gegeven, die deze kruik bij de baby in de wieg heeft gelegd. De kruik bleek te lekken, ten gevolge waarvan het kind brandwonden heeft opgelopen. Voor deze schade is Jumbo op grond van onrechtmatige daad aangesproken.
De producent had ter motivering van het ontbreken van zijn aansprakelijkheid aangevoerd dat de schade niet zou zijn ontstaan als alle mogelijke voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de zaak in acht waren genomen en dat hij mocht verwachten dat dit zou geschieden. De Hoge Raad oordeelde dat de producent in het kader van de op hem rustende zorgvuldigheidsplicht niet alleen acht moet slaan op gebruikers van het product die alle mogelijke voorzorgsmaatregelen in acht zullen nemen ter voorkoming van een ongeluk door een mogelijk gebrek in het product, maar op ‘het gehele publiek, waarvoor die producten zijn bestemd en waarvan een gedeelte het nemen van die voorzorgsmaatregelen zal nalaten’.
Het hof had geoordeeld dat van voldoende schuld voor het aannemen van aansprakelijkheid van Jumbo geen sprake was omdat afdoende controle op lekvrijheid van kruiken, zoals die in het geding, niet is te verwezenlijken. Deze opvatting is volgens de Hoge Raad in het algemeen begrijpelijk met het oog op het deskundigenrapport waaruit blijkt dat een samenspel van factoren nodig is om de kruiksluiting tot lekken te brengen ‘en het tegelijkertijd en in de juiste combinatie optreden van die factoren een toevallige gebeurtenis is’. Echter, deze motivering maakt volgens de Hoge Raad niet duidelijk dat geen maatregelen mogelijk zijn ‘die kunnen voorkomen dat kruiken met een concreet gebrek als hier gesteld, worden geproduceerd en in het verkeer gebracht’. Het hof heeft volgens de Hoge Raad ten onrechte niet onderzocht of de kruik een zodanig gevaar opleverde ‘dat deze niet in het verkeer had mogen komen en of aannemelijk was dat het niet aan de schuld van Jumbo was te wijten dat dit wel is geschied’.
Een aantal overwegingen van de Hoge Raad in deze uitspraak sluit reeds enigszins aan bij gedachten die naar voren komen in de later in te voeren Richtlijn Productaansprakelijkheid. Echter, anders dan in de Richtlijn wordt de aansprakelijkheid hier nog duidelijk gebaseerd op schuld. Desalniettemin vindt in deze uitspraak een belangrijke ontwikkeling plaats omdat hieruit wordt afgeleid dat de bewijslast ten aanzien van (het ontbreken van) schuld op de producent rust.4
In het Halcion-arrest in 1989 ging het om de aansprakelijkheid van de producent voor schade ontstaan door de bijwerkingen van een geneesmiddel.5 Het hof had hiertoe onderzocht of de producent een onrechtmatige daad heeft gepleegd door het middel op de wijze als zij heeft gedaan in het verkeer te brengen. De in dit kader door het hof geformuleerde overweging dat een geneesmiddel gebrekkig is ‘wanneer het niet de veiligheid biedt die de gebruiker/consument gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen’ is volgens de Hoge Raad juist.6
Een andere interessante arrest is Leebeek/Vrumona waarin de vraag aan de orde was of Vrumona, een importeur van Pepsi, aansprakelijk was voor schade ontstaan aan de hand van Leebeek doordat de hals en een flesje Pepsi was afgebroken bij het openen van het flesje.7 De Hoge Raad oordeelde dat, indien Leebeek erin slaagt te bewijzen dat hij de fles op normale wijze trachtte te openen, ‘de in dat geval vaststaande toedracht besloten ligt dat de schade is veroorzaakt door een gebrek van de fles, behoudens de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waaruit iets anders zou volgen (…) en behoudens door Vrumona te leveren tegenbewijs’.
Enkele jaren later bracht de Hoge Raad in het arrest DuPont/Hermans het onrechtmatigheidscriterium in overeenstemming met het vereiste voor aansprakelijkheid op grond van de (reeds tot stand gekomen) Richtlijn.8 In dit arrest ging het om een vordering op grond van onrechtmatige daad jegens de producent van een gebrekkig bestrijdingsmiddel voor schade die een rozenkweker had geleden. Het hof had aansprakelijkheid van de producent aangenomen vanwege het in het verkeer brengen van een verontreinigd en daardoor schadelijk bestrijdingsmiddel. Dit baseerde het hof op het Halcion-arrest. De Hoge Raad overwoog dat dit geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het ook in 1982 (toen het bestrijdingsmiddel aan de rozenkweker werd geleverd) geldend recht was dat ‘het in het verkeer brengen van een produkt dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het (…) bestemd was, schade veroorzaakt als hier aan de orde is, onrechtmatig’ is.9 Uit dit arrest kan worden afgeleid dat (in ieder geval) sinds het Halcion-arrest aansluiting is gezocht bij de Richtlijn in de uitleg van het onrechtmatigheidscriterium.10 De Hoge Raad heeft de uitspraak in DuPont/Hermans enkele jaren later bevestigd in Koolhaas/Rockwool.11
Sinds de implementatie van de Richtlijn vervult de onrechtmatigedaadsactie van artikel 6:162 BW nog altijd een belangrijke rol in het productaansprakelijkheidsrecht. Dit heeft niet alleen te maken met de beperkingen van de Richtlijn waardoor de gelaedeerde niet altijd artikel 6:185 BW e.v. kan aanwenden als grondslag voor zijn vordering jegens de producent,12 maar ook met de Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten (TRV) van artikel 6:197 BW. Krachtens het tweede lid van dit artikel zijn de rechten uit (onder meer) artikel 6:185 BW niet vatbaar voor subrogatie aan de verzekeraar. Een verzekeraar die de schade van de gelaedeerde heeft vergoed en deze wenst te verhalen op de producent, zal zijn vordering derhalve op artikel 6:162 BW dienen te gronden. Bij de beoordeling van de onrechtmatigheid zal de rechter, zoals in het Halcion, DuPont/Hermans en Koolhaas/Rockwool-arrest, aansluiting dienen te zoeken bij het regime van de Richtlijn.