Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.11
2.2.11 Discrepantie in de reikwijdte van het grondrechtsobject van artikel 9 EVRM tussen de verdragsstaten
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452778:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gerards 2013, p. 90.
EHRM 3 december 2009, nrs. 76836/01; 32782/03 (Kimlya and others v Russia), par. 79.
Gerards 2011, p. 55. Zie ook Murdoch 2012, p. 17.
De leer van de ‘margin of appreciation’ komt erop neer dat verdragsstaten een zekere vrijheid hebben in het opleggen van beperkingen aan de godsdienstvrijheid. Deze vrijheid heeft dan betrekking op de belangenafweging tussen de godsdienstuitoefening en de belangen genoemd in de beperkingsclausule. De legitimatie voor deze beoordelingsvrijheid is dat de kerk (religie) en staat-verhouding een sterk historisch en daarmee uniek karakter heeft en de nationale rechter om die reden het best in staat is om te beoordelen of een beperking van de godsdienstvrijheid rechtmatig is. Zie ook 4.4.2.
Gerards 2011, p. 61.
EHRM 3 december 2009, nrs. 76836/01; 32782/03 (Kimlya and others v Russia), par. 81.
In de vijf voorgaande subparagrafen hebben we stilgestaan bij het verschil in de reikwijdte tussen de grondrechtsobjecten van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet. In deze subparagraaf gaan we in op de vraag of en in hoeverre, er een verschil zit in de reikwijdte van het grondrechtsobject van artikel 9 EVRM wanneer deze bepaling wordt toegepast in de rechtssystemen van de verschillende verdragspartijen door de bevoegde autoriteiten. Is bijvoorbeeld de Nederlandse rechter gebonden aan de wijze waarop men in Rusland op grond van artikel 9 EVRM uitingen en gedragingen als religieus kwalificeert? Met andere woorden moeten de verdragstaten een op grond van artikel 9 EVRM gebaseerde uniforme uitleg van het begrip godsdienst hanteren?
Het EHRM heeft als uitgangspunt dat het de begrippen uit het EVRM autonoom uitlegt. Dat wil zeggen dat het een ‘Europese’ definitie geeft van een begrip. Het behandelt zaken dus op grond van zijn eigen interpretatie van een begrip.1 Over de kwestie of verdragsstaten in hun nationale wetgeving een eigen interpretatie van een begrip mogen hanteren is het EHRM minder duidelijk. Er is één zaak bekend waarin het EHRM de suggestie wekt dat ten aanzien van de kwalificatie van het grondrechtsobject van artikel 9 EVRM een bepaalde beoordelingsruimte voor de verdragsstaten geldt. In de Russische zaak Kimlya uit 2009 constateerde het EHRM dat in Rusland, in tegenstelling tot andere verdragsstaten, Scientology wel als godsdienstig werd erkend. Deze erkenning van de godsdienst vormde voor het EHRM reden om de niet-erkenning van het Scientology-kerkgenootschap te plaatsen in het licht van artikel 9 lid 2 EVRM. De vraag was of de niet-erkenning van het Scientology-kerkgenootschap een inbreuk vormde op de godsdienstvrijheid van de aanhangers van de Scientology, aangezien andere godsdiensten – los van een aantal voorwaarden waaraan diende te worden voldaan – wel toegestaan werd een kerkgenootschap op te richten. Het EHRM overwoog in deze zaak in algemene zin, dat het, het niet tot zijn taak rekent om in abstracto te bepalen of er sprake is van een godsdienst of levensbeschouwing en of de hiermee gerelateerde uitingen en gedragingen als de uitoefening hiervan moet worden geschaard. Volgens het EHRM bestaat hierover tussen de staten onderling geen consensus en kent het daarom bij twijfel over de aard van een godsdienstige leer of uiting of gedraging een belangrijke rol toe aan de kwalificatie door de nationale autoriteiten.2 Het EHRM lijkt daarmee in deze zaak een uitleg aan de term godsdienst te geven die niet geheel autonoom is maar ruimte laat voor een uitleg die afhankelijk is van het begrip ervan in de lidstaten.3
Opmerkelijk is dat deze overweging ten aanzien van artikel 9 EVRM niet wordt teruggevonden in latere jurisprudentie. De vraag is dan ook of we hier te maken hebben met een ‘ééndagsvlieg’ of dat het EHRM met deze uitspraak bewust een koers volgt waarbij naast het beperkingsregime ook het grondrechtsobject van de godsdienstvrijheid onderhevig is aan een ‘margin of appreciation’.4 Het is echter ook mogelijk om dit arrest anders te duiden. Gerards plaatst bovenstaande uitspraak in een bredere context en spreekt in dit verband van een ‘vastklikmethode’ die door het EHRM bij de bepaling van de reikwijdte van andere grondrechten wel vaker wordt gevolgd. Het EHRM maakt dan de toepasselijkheid van de EVRM-bescherming afhankelijk van het op nationaal niveau bestaan van bepaalde rechten, en niet van een autonome uitleg van EVRM-begrippen.5 In het bovenstaande arrest zou het EHRM dan hebben aangesloten bij wat de nationale autoriteiten al hadden ‘toegegeven’, namelijk de erkenning van Scientology als godsdienst.6 Vanwege de erkenning van de Scientology als godsdienst past het EHRM de beperkingsclausule van artikel 9 lid 2 EVRM toe. De betekenis van deze ‘vastklikmethode’ voor de wijze waarop uitingen en gedragingen worden gekwalificeerd als religieus lijkt vooralsnog beperkt, aangezien men slechts eenmaal, ten aanzien van bovengenoemde zaak, zou kunnen betogen dat hij is gevolgd. We kunnen daarom concluderen dat er vooralsnog geen sterke aanwijzingen zijn dat het EHRM een discrepantie tussen het grondrechtsobject van artikel 9 EVRM binnen de verdragstaten toestaat. Wat de eventuele consequentie van de vastklikmethode voor het begrip van godsdienst zou kunnen zijn, bespreek ik in 2.4 omdat zij in het kader van artikel 9 EVRM qua werking sterke gelijkenis laat zien met de werking van de samenloop van artikel 9 EVRM met artikel 14 EVRM.