Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.4.3.2
13.4.3.2 Waardering van certificaten in box 3
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232726:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 5.20 Wet IB 2001.
Artikel 5.21 Wet IB 2001.
Zie hiervoor paragraaf 13.2.2.
Met dien verstande dat uiteraard sprake kan zijn van beursgenoteerde certificaten, maar dat hiervan bij certificaten als beschermingsfiguur geen sprake van zal zijn.
Hofman en Singh (WFR 2017/7174, paragraaf 4.3.2) zijn van mening dat voor de waardering van certificaten in box 3 rekening gehouden dient te worden met de beperkingen die voortvloeien uit de administratievoorwaarden, zoals het ontbreken van zeggenschap, aangezien een gegadigde als gevolg van deze beperkingen een lagere prijs over zal hebben voor de certificaten, dan voor het gecertificeerde vermogen. Hoewel deze constatering mij in zijn algemeenheid juist lijkt (vergelijk paragraaf 13.2), is deze benadering mijns inziens niet consistent met het (ook door Hofman en Singh gepropageerde standpunt) dat in geval van economische eigendom de onderliggende goederen in aanmerking genomen dienen te worden in box 3 en niet het in het certificaat belichaamde vorderingsrecht. Op het moment dat men het gecertificeerde goed als uitgangspunt neemt, verliezen de aan het certificaat verbonden beperkingen hun (fiscale) relevantie.
Zie paragraaf 13.4.3.1.
Ook in het kader van box 3 komt de vraag op hoe certificaten gewaardeerd moeten worden. Het algemene uitgangspunt is dat bezittingen en schulden in aanmerking worden genomen voor hun waarde in het economische verkeer.1 Daarbij gelden specifieke waarderingsvoorschriften voor bepaalde goederen, zoals woningen2 en beursgenoteerde effecten3.
De waarde waartegen het certificaat in aanmerking genomen wordt, hangt mijns inziens weer samen met de wijze waarop het certificaat als zodanig in box 3 wordt behandeld. In geval van certificaten die geen economische eigendom verschaffen, is slechts één benadering mogelijk: heffing ter zake van het vorderingsrecht als zodanig. De waardering dient dan ook betrekking te hebben op het vorderingsrecht, waarbij rekening gehouden moet worden met relevante beperkingen die voortvloeien uit de administratievoorwaarden.4 Aan de waarderingsvoorschriften voor specifieke goederen komt men dan in principe ook niet toe, omdat certificaten niet onder deze bepalingen vallen.5 Uit praktisch oogpunt zou men hier natuurlijk bij kunnen aansluiten of de waardering van de certificaten mede op deze waarderingsvoorschriften kunnen baseren, maar dit is mijns inziens niet verplicht. Het enige voorschrift dat dan geldt is dat de waarde in het economische verkeer gehanteerd dient te worden.
Indien de certificaten wel de economische eigendom verschaffen, kan men enerzijds, zoals ik, betogen dat niet het certificaat in aanmerking genomen dient te worden, maar het gecertificeerde vermogen zelf, omdat de certificaathouder in fiscale zin eigenaar van dit vermogen is. De consequentie hiervan voor de waardering is dat hiervoor ook slechts gekeken wordt naar de waarde in het economische verkeer van de gecertificeerde goederen, zonder dat rekening gehouden wordt met aan het certificaat verbonden beperkingen uit de administratievoorwaarden.6 Ook dient naar mijn mening dan in voorkomend geval een waarderingsvoorschrift toegepast te worden, bijvoorbeeld indien beursgenoteerde aandelen gecertificeerd zijn.
Het alternatief is dat men, zoals de staatssecretaris voor lijkt te staan,7 ook in geval van economische eigendom kijkt naar het certificaat als zodanig en niet naar het gecertificeerde vermogen. Hoewel dit niet de interpretatie is die ik zou voorstaan, is deze benadering denkbaar. Deze brengt dan mijns inziens met zich dat voor de waardering gekeken wordt naar het certificaat met alle daaraan verbonden beperkingen, evenals bij certificaten die niet de economische eigendom verschaffen, alsmede dat de specifieke waarderingsvoorschriften in beginsel niet van toepassing zijn. In paragraaf 15.2 wordt in het algemeen besproken in hoeverre de waardering van certificaten kan leiden tot een (certificering belemmerend) knelpunt.