Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/3.4.2
3.4.2 De partijbedoeling
Hanneke Bennaars, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Hanneke Bennaars
- JCDI
JCDI:ADS288449:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers), HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2651, JAR 2005/15 (Diosynth/De Groot), HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722 (Beurspromovendi), HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231, JAR 2007/237 (Thuiszorg Rotterdam/PGGM) en HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012BU8926 (B-Notarissen).
Rb. Amsterdam 23 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5183, JAR 2018/189, m.nt. Wiewel (Ferwerda/Deliveroo), r.o. 10-13.
HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, JAR 2020/287, m.nt. Said.
HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019, JAR 2015/277 (Logidex/SNCU), r.o. 3.3.2.
HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887, NJ 2011/594, m.nt. Verhulp, r.o. 3.3.2.
S. Said in haar annotatie in JAR 2020/287enR. Houweling in zijn annotatie van 12 november 2020 in AR-Updates.
Hof Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:392, JAR 2021/26, m.nt. Van der Neut, AR-updates 2021/171, m.nt. Bennaars. Het hoger beroep inzake Rb. Amsterdam 1 juli 2019, ECLI:N:RBAMS:20194546, JAR 2019/171 (FNV/Helpling) is nog aanhangig. Inmiddels is namens FNV een dagvaarding aanhangig gemaakt over de kwalificatie van Uber-chauffeurs en de toepasselijkheid van de cao voor het taxivervoer. Ook daar valt te verwachten dat de partijbedoeling geen rol meer zal spelen.
Rb. Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:198, JAR 2019/23, m.nt. Jovović & Zwemmer (FNV/Deliveroo), r.o. 21.
Het dwingendrechtelijk karakter van de definitie van de arbeidsovereenkomst heeft de afgelopen decennia enigszins onder druk gestaan door de jurisprudentie van de Hoge Raad inhoudende dat de bedoeling van partijen ten aanzien van de kwalificatie van de overeenkomst een belangrijk gezichtspunt was. Deze jurisprudentie start met de bekende uitspraak Groen/Schoevers en is daarna in een aantal arresten door de Hoge Raad herhaald.1 Dit heeft geleid tot contracten (zeker niet alleen in het kader van platformwerk) waarin partijen zich uitputten in verklaringen dat zij een opdrachtovereenkomst beogen en zeker geen arbeidsovereenkomst. Die bepalingen kwamen in de rechtspraak regelmatig terug als relevante overweging of zelfs als uitgangspunt. Zie voor een voorbeeld de eerste Deliveroo-uitspraak van de Rechtbank Amsterdam waarin veel waarde wordt gehecht aan de omstandigheid dat partijen in de overeenkomst hebben vastgelegd welke rechtsverhouding (een opdrachtovereenkomst) hen voor ogen heeft gestaan.2
In november 2020 heeft de Hoge Raad hier een einde aan gemaakt met het Gemeente Amsterdam-arrest.3 Het ging in deze zaak om IAOW-uitkeringsgerechtigde die voor de gemeente Amsterdam heeft gewerkt op basis van een ‘plaatsingsovereenkomst’ in het kader van een participatieplaats (Wet werk en bijstand). De vraag was of deze overeenkomst als arbeidsovereenkomst moest worden gekwalificeerd, nu aan de criteria ‘arbeid’, ‘loon’ en ‘gezag’ was voldaan en de werkneemster in feite hetzelfde werk deed als haar collega’s die wel een arbeidsovereenkomst hadden. In cassatie speelt de vraag in hoeverre het relevant was of de bedoeling van partijen al dan niet gericht was op het sluiten van een arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad overweegt als volgt (r.o. 3.2.2):
“Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid, speelt de bedoeling van partijen dus geen rol bij de bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.”
De Hoge Raad vervolgt en legt in r.o. 3.2.3. uit dat alvorens aan de kwalificatie wordt toegekomen eerst moet worden onderzocht, aan de hand van de Haviltex-maatstaf, welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Pas als dat is vastgesteld, kan de rechter beoordelen of de overeenkomst de kenmerken van een arbeidsovereenkomst heeft.
Kortom, de partijbedoeling speelt nog wel een rol, maar alleen als het gaat om de rechten en verplichtingen die partijen op het oog hadden en niet als het gaat om de kwalificatie. Dus wel relevant: beogen partijen een verplichting om te komen werken of niet? Beogen partijen een beloning per stuk, of een vast maandloon? Maar niet (meer) relevant: beogen partijen een opdrachtovereenkomst? Dit is goed te verklaren, nu de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst niet alleen gevolgen heeft voor partijen, maar ook een breder maatschappelijk gevolg heeft. Dat de partijbedoeling ziet op de rechten en plichten en niet zozeer op de partijbedoeling heeft de Hoge Raad al eerder laten doorschemeren in de arresten Logidex4en Gouden Kooi.5 In deze arresten is de formulering ‘hetgeen hun [partijen, HB] bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond’ uit Groen/Schoevers vervangen door ‘de rechten en verplichtingen (…) die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden’. Daar staat tegenover dat in andere arresten de Hoge Raad juist lijkt te benadrukken dat de partijbedoeling wel degelijk ziet op de kwalificatie, zoals Said en Houweling overtuigend aantonen in hun annotaties.6 Of de Hoge Raad nu zelf onduidelijk is geweest of dat arbeidsrechtelijk Nederland de eerdere uitspraken verkeerd heeft uitgelegd zullen we nooit weten, maar vanaf nu weten we wel zeker dat de partijbedoeling met betrekking tot de aard van de overeenkomst niet relevant is.
Wat betekent dit voor de kwalificatie van platformwerkers? Het Hof Amsterdam is hier duidelijk over in de hogerberoepuitspraak over Deliveroo:7 het hele debat over de partijbedoeling wordt buiten beschouwing gelaten (r.o. 3.4 en 3.5). Het hof bespreekt vervolgens alle overeengekomen rechten en verplichtingen (en de wijze waarop daar in de praktijk uitvoering aan wordt gegeven) en voert met recht een holistische weging uit. Interessant is dat weinig aandacht wordt besteed aan de bedoeling van partijen/de contractuele vastlegging van de rechten en verplichtingen. Ik zou menen dat dat nog steeds wel relevant is, met dien verstande dat aan de contractuele vastlegging van rechten en verplichtingen door partijen (en de bedoeling daarvan) minder waarde gehecht zou moeten worden als contractuele vastlegging eenzijdig is opgelegd of nauwelijks onderwerp van onderhandeling is geweest. De kantonrechter in eerste aanleg overwoog dit ook.8 Het contracteren via algemene voorwaarden is wijdverbreid onder platforms (zie par. 3.1) en daarom is de nuancering van de partijbedoeling met betrekking tot de rechten en verplichtingen, voor zover die uit die voorwaarden zouden blijken, terecht. Het Hof Amsterdam gaat nog een stapje verder en overwoog dat de eenzijdige wijzigingen van het contract en van de wijze waarop de werkzaamheden worden georganiseerd erop duiden dat het platformbedrijf gezag uitoefent over de bezorgers (r.o. 3.9.6).