Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/3.4.6:3.4.6 Driehoeksverhoudingen
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/3.4.6
3.4.6 Driehoeksverhoudingen
Documentgegevens:
Hanneke Bennaars, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Hanneke Bennaars
- JCDI
JCDI:ADS288486:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreid Verhulp2018.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voorgaande paragrafen gingen over art. 7:610 BW, een tweepartijenverhouding. Bij platformwerk zijn echter altijd ten minste drie partijen betrokken en in sommige gevallen is het de vraag of geen sprake is van arbeidsbemiddeling of terbeschikkingstelling/uitzending.1 Ik bespreek dit aan de hand van de in de vorige paragraaf geïntroduceerde Helpling-uitspraak.
In paragraaf 3.3 is al stilgestaan bij de kwalificatie van sommige platforms als bemiddelaar in de zin van verplichtstellingsbesluiten of cao’s. Als geconstateerd moet worden dat een platform een bemiddelaar is, dan is de eerste logische gedachte om te beoordelen of sprake is van arbeidsbemiddeling in de zin van de Waadi. Art. 1 lid 1 sub b Waadi definieert arbeidsbemiddeling als: dienstverlening (i) in de uitoefening van beroep of bedrijf (ii) ten behoeve van een werkgever, een werkzoekende of beiden, inhoudende (iii) het behulpzaam zijn bij het zoeken van arbeidskrachten of arbeidsgelegenheden, (iv) waarbij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst (of ambtelijke aanstelling) wordt beoogd. Het enkel openbaar maken van gegevens betreffende werkzoekenden of van beschikbare arbeidsplaatsen geldt niet als arbeidsbemiddeling (art. 1 lid 2 Waadi). Is het platform louter een prikbord, dan speelt de Waadi dus geen rol. Als wel sprake is van arbeidsbemiddeling in de zin van de Waadi, dan is het belangrijkste gevolg dat géén tegenprestatie van de werkzoekende bedongen mag worden (art. 3 lid 1 Waadi). In de Helpling-uitspraak oordeelt de rechter dat van arbeidsbemiddeling sprake is en dus geen vergoeding van de werkende kan worden gevraagd. Enigszins in lijn met de in paragraaf 3.3 besproken uitspraken overweegt de rechtbank in r.o. 21 dat Helpling zich zo actief met de (totstandkoming, inhoud en uitvoering van de) arbeidsovereenkomst tussen huishouden en werker bemoeit dat van bemiddeling sprake is.
Een ander twistpunt is nog geweest of sprake is van terbeschikkingstelling in de zin van de Waadi. Daarvan is sprake als arbeidskrachten tegen een vergoeding ter beschikking worden gesteld aan een ander, alwaar zij werkzaamheden uitvoeren onder toezicht en leiding van die ander, anders dan krachtens een met deze ander gesloten arbeidsovereenkomst (art. 1 lid 1 onder c). Dit stuit af op de arbeidsovereenkomst die met het huishouden wordt gesloten. zodat aan het laatste deel van de definitie niet is voldaan.
Er zijn platforms waarbij terbeschikkingstelling wel aan de orde zou kunnen zijn. Gedacht kan worden aan platforms die de detailhandel of horeca voorzien van personeel. Door de werkenden als zzp’ers te profileren beogen deze platforms in feite aan arbeidsbemiddeling voor zelfstandigen te doen. Die vorm van arbeidsbemiddeling is niet geregeld in de Waadi; daarvoor is immers nodig dat een arbeidsovereenkomst ontstaat. Aan terbeschikkingstelling of uitzending wordt evenmin makkelijk toegekomen omdat er – volgens de constructie – geen leiding en toezicht is door de ander (de winkel of het horecabedrijf), nu de werkende zelfstandige is. Dit lijkt mij in veel gevallen een constructie waar doorheen gekeken zou moeten worden.