Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.4.2
5.4.2 Conclusie – de Scheme en waarderingsvragen
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS614459:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
R. Olivares-Caminal e.a., Debt Restructuring, 2011, p. 167.
Re Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114 (Ch), § 13.
Het WCO II-voorstel is te raadplegen via: www.internetconsultatie.nl/wco2. Naast mijn artikel over het WCO II-voorstel in oktober 2014 in FIP (S.W. van den Berg, ‘WCO II: de cram down beschouwd vanuit waarderingsperspectief’, Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk, oktober 2014/7) zijn in de juridische literatuur veel publicaties over het WCO II- voorstel verschenen. Ik verwijs naar de 16 reacties die gedurende de consultatieperiode zijn geplaatst op www.internetconsultatie.nl/wco2/reacties en onder andere de volgende artikelen (genoemd in willekeurige volgorde): M.L. Lennarts, ‘De WCO II: solide basis voor herstructureringen of voer voor litigation?’, in: Geschriften vanwege de vereniging corporate litigation 2014-2015, Deventer: Wolters Kluwer 2015; J.M. Hummelen, ‘Het dwangakkoord buiten faillissement: WCO II en belangenconflicten onderzocht’,Rechtsgeleerd Magazijn THEMIS 2016-1; R.J. van Galen, ‘De surseance als echte reorganisatieprocedure’, TvI 2015/23; M.J.M. Franken, ‘Het dwangakkoord en de (toekomstige) baten des boedels’, TvI 2015/21; G. te Winkel, ‘WCO II en de positie van de aandeelhouders’, in: Geschriften vanwege de vereniging corporate litigation 2015-2016, Deventer: Wolters Kluwer 2016; D.A.M.H.W. Strik, ‘Litigation-aspecten van WCO II Voordracht Voorjaarsbijeenkomst 2015 Vereniging Corporate Litigation’, in: Geschriften vanwege de vereniging corporate litigation 2015-2016, Deventer: Wolters Kluwer 2016; R.D. Vriesendorp, ‘Het buitengerechtelijk akkoord en het concept-voorstel WCO II’, in: D. Busch e.a., Wet Continuïteit Ondernemingen (delen I en II) en het bestuursverbod, Preadvies van de vereeniging ‘Handelsrecht’, Zutphen: Uitgeverij Partijs 2014; A.M. Mennens en P.M. Veder, ‘Clementie en recht: het dwangakkoord buiten insolventie’, NTBR 2015/2; R. Schmieman, ‘De WCO II: Achtergrond, inhoud procedure en reactie VCL-voorjaarsbijeenkomst 2015’, in: Geschriften vanwege de vereniging corporate litigation 2015-2016, Deventer: Wolters Kluwer 2016; B.J. Tideman, ‘Is het wetsvoorstel inzake het dwangakkoord buiten faillissement misbruikbestendig?’, NTBR 2015/22, afl. 5; H. Koster, ‘Voorstel voor een regeling van een dwangakkoord buiten faillissement’, JBN 2015/12;A.M. Mennens en F.E.J. Beekhoven van den Boezem, ‘Wijziging van toekomstige verplichtingen middels een dwangakkoord buiten insolventie: toekomstmuziek?’, TvI 2015/32; L.A. van Amsterdam, ‘De Wet continuïteit ondernemingen II: een van de belangrijkste hervormingen van het Nederlandse insolventierecht in jaren’, Bb 2015/5; R.J. van Galen, ‘Knelpunten in ons insolventierecht’, Ondernemingsrecht 2014/81; J.A.A. Adriaanse e.a., ‘Het dwangakkoord buiten faillissement vanuit het perspectief van de schuldeiser’, De Credit Manager 2014-1, 26-30; E. Schmieman, ‘De aanbeveling van de Europese Commissie inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie’, Ondernemingsrecht 2014/77; H. Lankhorst, ‘Voortgang herijking Faillissementsrecht’, BB 2013/48; H. Lankhorst, ‘Niet onredelijke weigering van buitengerechtelijk schuldenakkoord’, BB 2013/52; R.D. Vriesendorp,R.M. Hermans & K.A.J. de Vries, ‘Wetsvoorstel tot aanpassing van de Faillissementswet door uitbreiding met titel IV’, TvI 2013/20; R. Vriesendorp, R. Hermans & K. de Vries, ‘Herijking faillissementsrecht; en het informeel akkoord: gemiste kans of opportunity voor een Nederlandse scheme of arrangement?’, TvI 2013/12; J.B. Huizink e.a., Herstructurering en insolventie: naar een Scheme of Arrangement?, Zifo-reeks, nr. 9, Deventer: Wolters Kluwer, 2013; N.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016.
Om het effect van een financiële herstructurering op de totale ondernemingswaarde te beoordelen moeten twee waarden worden berekend: (1) de waarde zonder herstructurering en (2) de reorganisatiewaarde.
Bij een Scheme worden deze waarden niet allebei rechtstreeks inzichtelijk, althans zijn deze waarderingen niet vereist voor het verzoeken om de doorvoering van een Scheme. Waardering is bij de Scheme slechts relevant als vermogensverschaffers stellen dat de Scheme op “unfair grounds” wordt doorgevoerd en hun rechten ten onrechte worden aangetast. Hiervoor kÁn het nodig zijn dat de rechter toetst of een schuldeiser “in” of “out of the money” is en of de voorgestelde Scheme daaraan voorbij gaat.1 Dit laatste is het geval als door een transfer scheme een onderneming wordt overgedragen die meer waarde vertegenwoordigt dan de hoogte van de vorderingen van de vermogensverschaffers die een belang krijgen in newco (en, voor de duidelijkheid, voorheen een belang hadden in de overdragende vennootschap). De vermogensverschaffers die slechts een belang houden in de oude overdragende vennootschap worden dan benadeeld. Dan kan immers geconcludeerd worden dat een deel van de waarde ten onrechte aan de continuerende vermogensverschaffers toekomt, in plaats van aan de achterblijvende vermogensverschaffers.
In oudere Engelse jurisprudentie (Tea Corporation Ltd [1904] 1 Ch 12. en My Travel Group plc [2004] EWHC 2741 (Ch)) werd voor de vraag naar de waarde van de onderneming (en dus de daarvan afgeleide vraag of een schuldeiser een “economic interest” had), op grond van de betreffende specifieke omstandigheden van die gevallen,2 nog uitgegaan van de liquidatiewaarde van de onderneming. In recente Engelse jurisprudentie (Bluebrook Ltd (IMO Car Wash) [2009] EWHC 2114 (Ch)) is echter geoordeeld dat de going concern waarde bij een verkoop de relevante waarde is om te beoordelen of een schuldeiser economisch belang heeft in de onderneming.3
De Engelse rechter hanteert het begrip reorganisatiewaarde niet (direct) maar in de analyse van investeerders/vermogensverschaffers speelt deze waarde wel (degelijk) een belangrijke rol. De vermogensverschaffers die de onderneming continueren zullen deze waarde namelijk zelf hebben geschat om te zien welk rendement zij kunnen verwachten. De kopende vennootschap continueert de onderneming immers met een gereorganiseerde vermogensstructuur, lagere disconteringsvoet en verbeterd toekomstperspectief (en bijbehorende geschatte kasstromen).