Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/1.3
3 De ondernemingsraad en de vennootschap
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS387674:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Henrichs 2000 en Kuyt-Fokkens 2009.
Zie onder meer Loorbach 2006, Holtzer 2007b, Van der Ploeg 2008, Soerjatin 2010 en De Jongh, Schild en Timmerman 2010.
Voor een uitgebreide bespreking van dit thema verwijs ik naar de dissertatie van Sprengers (Sprengers 1999).
Zie de verslagen van de Ondernemingskamer over haar werkzaamheden in het jaar 2007 (Ondernemingsrecht 2008-185), 2005 (Ondernemingsrecht 2007-4), 2004 (Ondernemingsrecht 2006-9), 2003 (Ondernemingsrecht 2004-14), 2002 (Ondernemingsrecht 2003-13), 2001 (Ondernemingsrecht 2002-16/17), 1999 en 2000 (Ondernemingsrecht 2001-13), 1998 (TVVS 1999-13), 1996 en 1997 (TVVS 1998-5) en het overzicht van door de vakorganisaties gevoerde enquêteprocedures in bijlage 2 van L.C.J. Sprengers en G.W. van der Voet (red.), De toekomst van de medezeggenschap - aanbevelingen aan de wetgever, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht nr. 37, Kluwer 2009.
Zie Van Slooten 2005 en Van der Stege 2005.
Ik verwijs naar de dissertatie van Van Mierlo, die de spanning tussen WOR en ondernemingsrecht heeft behandeld (Van Mierlo 2013). Zie ook Honée 1981.
HR 14 maart 2008, JOR 2008/94 m.nt. Holtzer.
Zie bijvoorbeeld OK 30 december 2008, ARO 2004/18, JOR 2004/102 (Intergas), waarin de Ondernemingskamer het betoog van de ondernemer verwierp dat erop neerkwam dat een statutenwijziging uitsluitend betrekking heeft op de structuur en de verdeling van bevoegdheden binnen de vennootschap en er reeds om die reden geen sprake zou kunnen zijn van een besluit tot wijziging van de organisatie van onderscheidenlijk de bevoegdheden binnen de onderneming. Een dergelijk onderscheid tussen de rechtspersoon en de onderneming moet volgens de Ondernemingskamer worden gekenschetst als kunstmatig waar het de toepassing van de Wet op de ondernemingsraden betreft.
In OK 21 april 2010, JOR 2010/186 (Maliebaan) m.nt. Holtzer bevestigt de Ondernemingskamer dat (de beweegredenen voor) strategische keuzen van de ondernemer in volle omvang door het adviesrecht van de ondernemingsraad worden bestreken.
Zie OK 29 april 2010, JOR 2010/187 (Zorgcentra de Betuwe) en OK 20 mei 2010, JOR 2010/188 (Sherpa) m.nt. Verburg.
In dit onderzoek zal ik mij vooral richten op de ondernemingsraad in de zin van artikel 2 lid 1 WOR. Waar ik spreek over de ondernemingsraad, bedoel ik ook de gemeenschappelijke (artikel 3 WOR), de centrale en de groepsondernemingsraad (artikel 35 WOR), tenzij anders is vermeld. Waar ik refereer aan medezeggenschap, doel ik op medezeggenschap van werknemers. Bijzondere vormen van medezeggenschap, zoals die van gepensioneerden,1 die van cliënten2 of die bij de overheid,3 blijven goeddeels buiten beschouwing.
De primaire aandacht voor de ondernemingsraad is gekozen omdat hij in mijn ogen het strategische besluitvormingsproces het dichtst benadert. Dat is allereerst omdat zo’n raad een intern orgaan van de onderneming is, in tegenstelling tot de vakorganisaties die hun taak vervullen vanuit een externe positie en met het oog op behartiging van ledenbelangen. De ondernemingsraad vervult zijn medezeggenschapstaak in beginsel op mandaat van alle in de onderneming werkzame personen (artikel 6 WOR). In de tweede plaats heeft de wetgever aan de ondernemingsraad een specifieke taak toebedeeld bij de advisering over de met name genoemde strategische besluiten in artikel 25 WOR. In de derde plaats is van belang dat het in de praktijk vaak de ondernemingsraad is die verschillen van mening over het strategisch beleid tot punt van overleg maakt en zo nodig aan de rechter voorlegt. De jurisprudentie van de Ondernemingskamer laat zien dat het aantal beroepszaken volgens artikel 26 WOR het aantal door de vakorganisaties aanhangig gemaakte strategische kwesties verregaand overstijgt.4 Dat betekent dat de ondernemingsraad in ieder geval getalsmatig kan worden beschouwd als de belangrijkste aanjager van de rechtsvorming over geschillen rondom het strategisch beleid van de vennootschap.
Zoals uit de titel van dit onderzoek blijkt, zal de relatie tussen werknemers en de vennootschap en de met haar verbonden onderneming nader worden beschouwd. Dat is in zekere zin een gewrongen constructie, althans vanuit het perspectief van de WOR. In die wet wordt uitsluitend aan de relatie tussen ondernemingsraad en de onderneming gerefereerd. Als onderneming in de zin van de WOR wordt elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid opererend organisatorisch verband beschouwd waarin arbeid wordt verricht op grond van arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling (artikel 1 lid 1 sub c WOR). In die constellatie kan de vennootschap de functie van ondernemer vervullen: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming in stand houdt. Overigens is de bestuurder van de onderneming in de zin van de WOR niet altijd gelijk aan het bestuur in de zin van artikel 2:129 BW.5 De systematiek uit het medezeggenschapsrecht sluit, zoals bekend, niet goed aan op het vennootschapsrecht.6
De vorming van de strategie vindt plaats in een driehoek, die wordt gevormd door het concern (waarvan vennootschap en onderneming deel uitmaken), de vennootschap (waarin besluitvorming plaatsvindt) en de onderneming (de sociale eenheid waarin de economische activiteit plaatsvindt). Doordat de besluitvorming inwerkt op de economische activiteit worden vennootschap en onderneming naar elkaar toe getrokken. Die besluitvorming wordt vaak centraal gestuurd door de leiding van de groep als een economische eenheid waarbinnen rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden (artikel 2:24b BW). Dit vennootschapsrechtelijke groepsbegrip wijkt af van het medezeggenschapsrecht, waarin het gaat om de term ‘in een groep verbonden ondernemers’ (artikel 33 lid 3 WOR) dat een eigen betekenis heeft,7 maar de zuigkracht voelt van het economische verschijnsel van de groep.
De systemen van het medezeggenschapsrecht en het vennootschapsrecht staan niet geheel los van elkaar.8 In de jurisprudentie is een ontwikkeling te zien naar een toenadering van rechtspersoon en onderneming. Geschillen over de strategie worden door de ondernemingsraad niet langer alleen langs de band van het beroepsrecht van artikel 26 WOR9 (waarin besluiten over de onderneming centraal staan) gespeeld, maar in toenemende mate ook via het enquêterecht (waarin het gaat om het beleid en de gang van zaken van de vennootschap). Daardoor verdwijnt het beeld dat de ondernemingsraad zich uitsluitend via het beroepsrecht kan inlaten met de strategie en vindt een zekere osmose plaats tussen rechtspersoon en onderneming.
De invalshoeken vanuit het medezeggenschapsrecht en het vennootschapsrecht vervagen het sterkst wanneer de ondernemingsraad (al dan niet als belanghebbende) in een enquêteprocedure de schending van medezeggenschapsrechten opvoert als een van de redenen waarom gegronde twijfel bestaat aan de juistheid van het beleid.10 Zo worden klachten die ook in een procedure op grond van beroepsrecht jegens de onderneming aan de orde konden worden gesteld geïncorporeerd in een groter geheel van bezwaren tegen het beleid van de vennootschap. Of de bezwaren van werknemers tegen de strategie zich richten tot de vennootschap of de onderneming lijkt dan een kwestie van toeval.
Ik kies voor een benadering van de medezeggenschap vanuit de optiek van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De reden daarvoor is dat ik het onderzoek niet wil beperken tot de onderneming: het gaat mij ook om de organen van de vennootschap, zoals (de samenstelling van) het bestuur of de raad van commissarissen. Daarnaast wil ik overwegingen wijden aan de verhouding van de ondernemingsraad tot de algemene vergadering van aandeelhouders; bezien vanuit het begrippenkader van de WOR zou die verhouding niet aan bod komen, omdat daarin geen rechtstreekse relatie tussen die organen wordt gelegd. De keuze voor de vennootschap en de onderneming bakent het onderwerp overigens af. De medezeggenschap bij andere rechtspersonen komt hier slechts zijdelings aan bod.
Hoewel ik primair de positie van de ondernemingsraad zal bekijken, worden vakorganisaties en andere vormen van werknemersvertegenwoordiging niet uitgesloten. In kleinere ondernemingen worden werknemers vaak ook op andere wijze vertegenwoordigd, bijvoorbeeld via de personeelsvertegenwoordiging volgens artikel 35c WOR. Langs die weg kunnen werknemers eveneens pogen invloed te krijgen op de strategie van de vennootschap. In die zin zal een deel van hetgeen hier wordt besproken tevens van waarde (kunnen) zijn voor de positie van de vakorganisaties en andere vormen van werknemersvertegenwoordiging, ook waar dit niet expliciet aan de orde komt.
De WOR definieert de in de onderneming werkzame personen als degenen die in de onderneming werkzaam zijn krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij, dan wel een arbeidsovereenkomst met, de ondernemer die de onderneming in stand houdt (artikel 1 lid 2 WOR). Daaronder vallen in principe ook uitzendkrachten en gedetacheerde medewerkers bij een andere ondernemer (artikel 1 lid 3 WOR). De arbeidsovereenkomst is omschreven in artikel 7:610 BW. Ik zal mij hierna niet tot de wettelijke definities van het begrip werknemer beperken. De strategie van de vennootschap of de groep kan effect hebben op andere met haar verbonden personen dan zij die krachtens arbeidsovereenkomst in de onderneming werkzaam zijn, bijvoorbeeld op werknemers van buitenlandse concernvennootschappen of zelfstandigen zonder personeel die langdurig aan de onderneming verbonden zijn. Ik zie daarom af van een (nauwe) omschrijving van het werknemersbegrip.
Consequent gebruik van de term ‘ondernemingsraad’ doet vermoeden dat dit orgaan ook in de praktijk eenvormig optreedt. Daarvan is geen sprake. Ondernemingsraden kunnen net zulke verschillende karaktertrekken vertonen als de mensen die er deel van uitmaken. De ondernemer ontmoet redelijke en onredelijke ondernemingsraden, jonge en oude, bange en oorlogzuchtige, progressieve en reactionaire, etcetera. Deze verscheidenheid is zichtbaar in alle lagen van het Nederlandse bedrijfsleven, waarbij niet onmiddellijk gezegd kan worden dat de ondernemingsraad bij beursvennootschappen zich professioneler opstelt of beter geëquipeerd is dan die bij niet-genoteerde vennootschappen. Evenmin kan worden gezegd dat ondernemingsraden bij kleine ondernemingen per definitie medezeggenschap van geringere kwaliteit uitoefenen dan die bij grote ondernemingen.
In dit onderzoek zal ik ook aandacht besteden aan de Europese ondernemingsraad. Andere internationale vormen van medezeggenschap blijven onbesproken, zoals de Europese vennootschap of de grensoverschrijdende fusie. Deze keuze is gemaakt om het onderzoek af te bakenen en omdat hiernaar al door anderen (promotie)onderzoek wordt verricht.