Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.4.3.1:4.2.4.3.1 Inleiding
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.4.3.1
4.2.4.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS449953:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie het in paragraaf 3.2.7.1 aangehaalde citaat en de overige daar genoemde rechtspraak.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vereiste dat sprake moet zijn van een reëel en onmiddellijk gevaar voor een door artikel 2evrm, artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermd belang is een belangrijke begrenzing van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen.1 Het zorgt ervoor dat de overheid niet gehouden is concrete handelingen te verrichten en daarmee haar financiële en/of andere middelen aan te spreken ter voorkoming van elke toekomstige aantasting, hoe hypothetisch die aantasting ook is. In deze paragraaf wordt nader bezien wanneer sprake is van een reëel en onmiddellijk gevaar. Ook wordt ingegaan op de relatie tussen het vereiste van een reëel en onmiddellijk gevaar en preventieve handhaving als bedoeld in artikel 5:7 Awb. Eerst zal echter worden bekeken of de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten bestaat bij elk reëel en onmiddellijk gevaar voor een toekomstige aantasting van een door artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermd belang of dat het bestaan van die verplichting afhankelijk is van de aard van de toekomstige aantasting.