Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.4.1
2.4.1 Regiopolitie/Hovax
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS299793:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 september 2003, NJ 2004, 460, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004, 461 (Regiopolitie/ Hovax), r.o. 3.1.
HR 26 september 2003, NJ 2004, 460, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004, 461 (Regiopolitie/ Hovax), r.o. 3.2-3.6.
HR 26 september 2003, NJ 2004, 460, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004, 461 (Regiopolitie/ Hovax), r.o. 5.2.
HR 26 september 2003, NJ 2004, 460, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004, 461 (Regiopolitie/ Hovax), r.o. 5.2.
HR 26 september 2003, NJ 2004, 460, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004, 461 (Regiopolitie/ Hovax), r.o. 5.3.
Vranken 2004, sub. 6-8 (annotatie Regiopolitie/Hovax, onder NJ 2004, 461).
39
Hovax BV had een pand in Nijmegen, dat vrij was gekomen voor verhuur. Na acht maanden te hebben onderhandeld, kwamen Hovax en de Regiopolitie tot overeenstemming over een definitieve concept-huurovereenkomst. Een maand later berichtte de Regiopolitie aan Hovax af te zien van de huur van het pand.1
De daaropvolgende procedure betreft de vraag of er voor de mededeling, dat werd afgezien van de huur van het pand reeds een huurovereenkomst tot stand was gekomen. Volgens de kantonrechter – toen nog niet geïntegreerd in de rechtbanken – was er van een dergelijke overeenkomst geen sprake. In hoger beroep oordeelde de rechtbank anders. Nu de rechtbank het bestaan van een overeenkomst aanvaardde, gingen partijen in hun stellingen ook verder dan de tot dat moment gevoerde discussie over het al dan niet aansprakelijk zijn van de Regiopolitie voor de (vermeend) gepleegde contractbreuk. Hoewel de Regiopolitie al wel min of meer had opgemerkt dat Hovax het pand reeds had kunnen verhuren aan een andere partij, was de schending van de schadebeperkingsplicht door Hovax tot de procedure in hoger beroep niet aangevoerd. De rechtbank wierp deze mogelijke schending in één van haar tussenvonnissen op en stelde partijen in de gelegenheid zich hierover uit te laten. In haar eindvonnis veroordeelde de rechtbank de Regiopolitie tot het betalen van schadevergoeding aan Hovax wegens gepleegde wanprestatie, maar matigde dit bedrag omdat Hovax niet aan haar schadebeperkingsplicht had voldaan.2
40
In het incidentele cassatieberoep ging het om de vraag of de rechtbank had mogen overgaan tot het ambtshalve opwerpen van de mogelijke schending van de schadebeperkingsplicht. Volgens Hovax was de rechtbank hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Daar oordeelde de Hoge Raad echter anders over:
“5.2 Het is op zichzelf juist dat de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding niet ambtshalve mag minderen op de grond dat naar zijn oordeel (. ) sprake is van ‘eigen schuld’ van de benadeelde aan zijn schade, ook al wordt (. ) ‘de vergoedingsplicht (. ), wanneer aan de eisen van het artikel is voldaan, van rechtswege verminderd (…)’. Het mede in artikel 6 EVRM verankerde fundamentele beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat de rechter pas tot die vermindering mag overgaan indien de aansprakelijk gestelde persoon een voldoende gemotiveerd beroep op eigen schuld van de benadeelde aan zijn schade heeft gedaan.”3
Hier beschrijft de Hoge Raad de hoofdregel. De rechter is in principe gebonden aan de rechtsstrijd. Toch zijn er situaties denkbaar waarin de rechter wel tot het ambtshalve opwerpen van een bepaald – tot dat moment niet (volledig) naar voren gekomen – aspect mag overgaan:
“5.2 (. ) Anders dan het onderdeel betoogt, betekent dit echter niet dat het de rechter nimmer zou vrijstaan de eigen-schuld-vraag ambtshalve aan de orde te stellen. Uit het hiervoor overwogene volgt wél dat hij, als hij dat doet, partijen in de gelegenheid dient te stellen het processuele debat dienaangaande aan te gaan en dat hij zich van een beslissing op dit punt dient te onthouden als vervolgens blijkt dat partijen het debat niet wensen te voeren.”4
De Hoge Raad kan niet in het algemeen aangeven wanneer de eigen-schuld-vraag ambtshalve aan de orde mag worden gesteld. Met betrekking tot de situatie van het voormelde arrest was het echter zo dat partijen zich tot het omstreden tussenvonnis van de rechtbank hadden beperkt tot een debat over de aansprakelijkheidsvraag. Een debat over een eventueel te betalen schadevergoeding had zich nog niet ontsponnen. Binnen een dergelijk debat lag een beroep op eigen schuld zo zeer voor de hand, onder andere gelet op de eerdere stelling van de Regiopolitie dat Hovax het pand reeds had kunnen verhuren, dat het de rechter vrij stond om dit aspect ambtshalve op te werpen.5
41
De gekozen benadering van de Hoge Raad bevordert een efficiënte procesvoering. Wanneer het in deze zaak aan partijen was gelaten om te komen met de schending van de schadebeperkingsplicht, was de procedure door de over en weer te nemen conclusies vermoedelijk zeer vertraagd, terwijl dit aspect waarschijnlijk ook dan wel ter sprake was gekomen. Vanuit de met de herziening van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering uitgesproken wens tot deformalisering van het procesrecht valt dan ook goed te verklaren dat de rechter ambtshalve mocht ingrijpen om het debat te stroomlijnen. Een dergelijk ingrijpen behoeft ook niet in strijd te komen met artikel 6 EVRM, mits partijen maar voldoende mogelijkheid krijgen om het debat te voeren over het ambtshalve opgeworpen punt. Wanneer zij dat debat niet wensen te voeren, behoort de rechter zich van het betrekken van dit aspect bij zijn eindbeslissing te weerhouden.6