Raad zonder raadgevers?
Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/3.3.3:3.3.3 Het advies van de Raad van State
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/3.3.3
3.3.3 Het advies van de Raad van State
Documentgegevens:
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS580349:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2000/01, 27751, A, p. 2-3.
Zaak no. W04.99.0040 bij de Raad van State. Het ontwerp wordt ook vermeld in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 52).
Kamerstukken II 2000/01, 27751, A, p. 25-26.
Vis was eerder lid van de Eerste Kamer voor D66 en was formateur van het eerste Paarse kabinet. En hij was lid van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘De Raad van State of een afdeling van de Raad wordt gehoord over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur, alsmede over voorstellen tot goedkeuring van verdragen door de Staten-Generaal. In bij de wet te bepalen gevallen kan het horen achterwege blijven’,
zo luidt het eerste lid van artikel 73 van de Grondwet. Het advies van de Raad van State vormt dan ook een regulier houvast bij het beoordelen van wetsontwerpen, die bij de Tweede Kamer worden ingediend. De adviezen worden vanwege hun hoge kwaliteit en objectieve karakter door de Kamer doorgaans als zeer waardevol gezien en worden door alle fracties nauwgezet bestudeerd alvorens een standpunt over het ingediende wetsvoorstel wordt ingenomen.
Als nieuw Kamerlid is een van de eerste lessen het analyseren en interpreteren van het advies van de Raad van State. Er blijkt een soort diplomatieke geheimtaal te bestaan in de adviezen van de Raad, waarbij het van groot belang is, de allerkleinste nuance in het oordeel van de Raad te herkennen. In het algemeen adviseert de Raad van State een wetsontwerp te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal ‘nadat aan het vorenstaande aandacht is geschonken’ of – in een strengere variant – ‘nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden’. Op deze formuleringen bestaan zes varianten, die allemaal hun eigen betekenis hebben.
In het advies van de Raad van State over de Wet dualisering gemeentebestuur is weinig van deze diplomatieke formuleringen terug te vinden. De Raad velt een vernietigend oordeel:
‘De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen het voorstel van wet en geeft U in overweging dit niet aldus te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.’1
Er bestaat één nog hardere variant, die eindigt op ‘geeft U in overweging dit niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal’. Met het woord ‘aldus’ biedt de Raad de regering dus nog de mogelijkheid om wijzigingen aan te brengen, waarmee het wetsvoorstel alsnog de toets der kritiek van de Raad zou kunnen doorstaan.
De Raad formuleert een reeks twijfels bij het wetsvoorstel, waarvan de drie belangrijkste zijn:
De gebrekkige onderbouwing van de noodzaak tot dualisering.
Het gebrek aan een referentiekader om te beoordelen of de voorgestelde dualisering van het lokale bestuur de geschetste ‘problemen’ (waarvan de Raad aard, ernst en omvang in twijfel trekt) zal oplossen.
De ‘uitholling’ van het grondwettelijke ‘hoofdschap’ van de gemeenteraad door het overhevelen van zoveel taken en bevoegdheden naar het college.
Allereerst twijfelt de Raad van State dus aan de probleemanalyse van het kabinet.
‘Het beeld van de bestaande toestand is (...) in tweeërlei opzicht gemengd. In de eerste plaats moet worden geconcludeerd dat de wet slechts een beperkt aantal duidelijk monistische elementen kent: de aanwijzing van de wethouders uit en door de raad (daartegenover echter de positie van de burgemeester), de toekenning van autonome bestuursbevoegdheden aan de raad, met mogelijkheid van delegatie aan het college. Hierbij kan worden opgemerkt dat een groot deel van de bevoegdheden medebewindsbevoegdheden betreft, waarbij beschikkingsbevoegdheden bijna steeds aan college of burgemeester zijn toegekend. Ook naar het monistische neigt de sedert 1994 bestaande bevoegdheid van de raad tot het vaststellen van algemene regels of beleidsregels voor andere gemeentelijke bestuursorganen. In de tweede plaats loopt de praktijk in de verschillende gemeenten uiteen. In een aantal gemeenten lijkt de verhouding raad/college meer op die van algemeen bestuur enerzijds en dagelijks bestuur anderzijds, in andere gemeenten stelt de raad zich doorgaans afstandelijker op. De conclusie kan zijn dat het huidige wettelijke stelsel niet alleen monistische trekken vertoont maar ook dualistische en dat het zowel de ruimte biedt voor een tamelijk monistische bestuurspraktijk alsook voor een vrij vergaand dualistische wijze van opereren. Die constatering is van belang voor de vraag of er reden is over te stappen op een stelsel van verplicht dualisme, de grondwettelijke aspecten van de operatie, alsmede voor de probleemschets.’2
De Raad onderkent dat een zekere mate van dualisme kan worden vastgesteld in de verhoudingen binnen het lokaal bestuur. Inderdaad is het college verder van de raad af komen te staan, zijn wethouders en ambtenaren specialisten geworden, is een groot aantal bevoegdheden van de raad in de loop der jaren naar het college verschoven en staat de gemeentesecretaris – met zijn ambtelijk apparaat – dichter bij het college dan bij de raad.
Maar dan draait de Raad de redenering om: als dit al zo is, dan blijkt het monistisch stelsel daar toch al voldoende mogelijkheden voor te bieden. Waarom dan plotsklaps kiezen voor een drastische wijziging van de structuur, terwijl de gevolgen daarvan nog helemaal niet zijn uitgetest? De Raad verwijst naar een wetsvoorstel dat eind jaren negentig werd ingediend, waarin werd voorgesteld gemeentebesturen te laten kiezen tussen twee stelsels en dat met name de mogelijkheid opende om wethouders (en gedeputeerden) van buiten de gemeenteraad (of Provinciale Staten) te benoemen. Dit wetsvoorstel3 haalde echter – omdat de regering het advies van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie wilde afwachten – de Tweede Kamer niet.4
De Raad van State zegt hierover:
‘Nadat daarmee de nodige ervaringen zijn opgedaan, kan vervolgens over enige tijd de balans worden opgemaakt en kan een verantwoorde beslissing worden genomen over het al of niet verplicht voorschrijven van een dualistisch stelsel, al of niet voor alle gemeenten. Wat nu wordt voorgesteld is een stap in het ongewisse, een ingrijpende verandering, waarvan de effecten onbekend zijn, waarvan niet is aangetoond dat de problemen overal van dien aard zijn dat juist deze remedie aangewezen zou kunnen zijn, en die, ten slotte, niet nodig is, aangezien een voorzichtiger, meer geleidelijke benadering tot de mogelijkheden behoort.’5
Waarna de – doorgaans zo voorzichtige – pen van de Raad van State opnieuw uitglijdt: ‘Reeds hierom kan het wetsvoorstel maar beter niet in deze vorm worden ingediend.’6
De Raad van State gaat vervolgens in op de door hem geconstateerde strijd van het wetsvoorstel met de Grondwet. Omdat de gehele dualiseringsoperatie niet kan worden afgerond zonder wijziging van de Grondwet (de Raad doelt dan op het invoeren van de gekozen burgemeester en het ontnemen van de ‘autonome bevoegdheden’ aan de gemeenteraad), zou deze stelselwijziging niet in gang gezet mogen worden zonder voorafgaande wijziging van de Grondwet. De Raad van State zegt het als volgt:
‘De Grondwet (GW) bevat niet een uitgewerkt staatssysteem. Ze is product van een lange ontwikkeling, waarbij onderwerpen zijn geregeld waarvan het op enig ogenblik in de geschiedenis van belang werd geacht er relatief duurzame bepalingen voor vast te leggen. Over de inrichting van de gemeentebesturen was de GW traditioneel tamelijk summier. Zo werd tot 1983 uitsluitend de gemeenteraad als bestuursorgaan van de gemeente genoemd; over het college van burgemeester en wethouders en over de burgemeester werd gezwegen. Pas in 1983 ging de GW op dit punt wat meer bepalingen bevatten, ter gelegenheid van het meer gelijktrekken met de regeling van de provinciebesturen; ook toen werd echter niet een uitgewerkt stelsel vastgelegd. Uitgangspunt was dat de zaken in grote lijnen bij het oude konden blijven. Eén van de bepalingen die de GW sinds lang kent is het huidige artikel 125, eerste lid: Aan het hoofd van de gemeente staat de gemeenteraad. In samenhang met artikel 129, dat de rechtstreekse verkiezing van de raadsleden inhoudt, is daarmee het democratische karakter van het gemeentebestuur vastgelegd. De uitwerking van de positie van de raad als hoofd van de gemeente geschiedt in de wetgeving. De belangrijkste grondwettelijke nadere bepaling is artikel 127, dat de verordenende bevoegdheid in beginsel bij de raad legt. Het voorliggende wetsvoorstel laat deze belangrijke, maar in omvang geringe taak bij de raad. Daarnaast zal de raad onder meer de bevoegdheid houden tot het benoemen en ontslaan van de wethouders, alsmede het budgetrecht. Daartegenover worden hem echter belangrijke bestuursbevoegdheden ontnomen en wordt de bestuurstaak in beginsel overgebracht naar het college. Het lot van de medebewindstaken is onzeker. Op deze wijze dreigt een uitholling van het grondwettelijke begrip “hoofd van de gemeente”. Daarnaast moet op het volgende worden gewezen. Het wetsvoorstel stelt, zoals ook uit de toelichting kan worden opgemaakt, een fundamentele verandering voor in de grondslagen van het gemeentebestuur, de inrichting daarvan en de taakverdeling daarbinnen. Deze veranderingen zijn niet het resultaat van een geleidelijke ontwikkeling, waarbij wettelijk wordt vastgelegd wat bewezen is nuttig en nodig te zijn, maar vinden hun grondslag in opvattingen waarvan nog moet blijken hoe ze in de praktijk zullen uitwerken. De memorie van toelichting kondigt aan dat de beoogde veranderingen thans nog niet geheel en al kunnen worden doorgevoerd, omdat de GW op enkele concrete punten daaraan in de weg staat (positie burgemeester, autonome bevoegdheden).
De met dit voorstel in te zetten veranderingen zijn echter in opzet zo fundamenteel dat daartoe naar het oordeel van de Raad niet behoort te worden overgegaan zonder voorafgaande grondwetswijziging die de wetgever in dit opzicht de vrije hand geeft. Grondwetswijziging is de methode die ons staatsrecht biedt om na te gaan of bepaalde staatkundige opvattingen zo ruim worden gedeeld dat er in juridische zin op mag worden gebouwd. Daarom adviseert de Raad om niet tot “verplichte dualisering” over te gaan zonder voorafgaande grondwetswijziging die deze verandering legitimeert.’7
Een opmerkelijk deel van de repliek van de minister op dit onderwerp is zijn verwijzing naar het schrappen van artikel 148 van de Gemeentewet. In dit artikel, dat pas bij de algehele herziening van de Gemeentewet in 1992 in de wet was opgenomen, kreeg de gemeenteraad de bevoegdheid bij verordening beleidsregels te stellen waarmee de andere gemeentelijke organen rekening dienden te houden bij de uitoefening van aan hen bij of krachtens de wet verleende bevoegdheden. ‘In een gedualiseerd stelsel ligt het in de rede dat het college en de burgemeester zélf beleidsregels vaststellen ten aanzien van hun bevoegdheden’,8 stelt de minister om dit later nog te versterken met de uitspraak:
‘Ik acht het in een duaal stelsel niet passend indien afgeweken wordt van het bestuursrechtelijk uitgangspunt dat beleidsregels in beginsel vastgesteld worden door het bestuursorgaan dat de desbetreffende bevoegdheden uitoefent.’9
Deze vaststelling is bijzonder interessant in het licht van de vraag of de gemeenteraad nog wel over de bevoegdheid kan of mag beschikken bij verordening de inzet van het ambtelijk apparaat te regelen ten behoeve van het verstrekken van ambtelijke bijstand, zoals het latere derde lid van artikel 33 van de Gemeentewet zal voorschrijven.
De Raad van State gaat in zijn advies niet specifiek in op de in het wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 33 Gemeentewet over de ambtelijke bijstand. Wel plaatst de Raad vraagtekens bij de mogelijkheid voor de gemeenteraad om te besluiten tot het instellen van een raadsgriffie.
‘In de praktijk zal de griffier veelal een kleine ambtelijke ondersteuning tot zijn beschikking hebben. Dit roept de vraag op hoe de positie van de griffier en de griffieambtenaren zich verhoudt tot die van de secretaris met een veel grotere ambtelijke organisatie die hij tot zijn beschikking heeft en of hier niet een mogelijke bron van conflicten ligt.’10
Hier wordt echter geen waardeoordeel aan verbonden.
Tenslotte mag niet onvermeld blijven dat één lid van de Raad van State – J.J. Vis11 – een minderheidsstandpunt inneemt. Hij kan ‘geheel instemmen met de hoofdlijnen van het voorliggende wetsvoorstel’12 en adviseert dan ook ‘het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.’13