De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.3.4:8.3.3.4 Conclusie onafhankelijkheid
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.3.4
8.3.3.4 Conclusie onafhankelijkheid
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702045:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Neerhof, AB 2011/30.
Eerder in dezelfde zin: Dijkshoorn 2011, p. 112.
ABRvS 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:357. De CRvB merkte de SAOZ zelfs aan als rijksdienst (CRvB 28 september 1989, ECLI:NL:CRVB:1989:AN0677).
Van Wijmen, BR 1996, p. 919.
Zeer nadrukkelijk: ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:293, r.o. 8.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de overweging dat de stellingen van appellant geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de onafhankelijkheid opleveren, wijst de Afdeling klachten over een gebrek aan onafhankelijkheid steevast af. Het is duidelijk dat de Afdeling vasthoudt aan de onafhankelijkheidsnorm zoals die in de relevante planschade- en nadeelcompensatieregelgeving is neergelegd. Dat betekent dat een adviseur onafhankelijk is wanneer deze formeel geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd. Dat de formele onafhankelijkheid niet betekent dat de adviseur ook daadwerkelijk, feitelijk onafhankelijk is – zoals door appellanten naar voren wordt gebracht – gaat de Afdeling (nog) niet mee. Daartoe is de Afdeling natuurlijk ook niet verplicht.
Toch knelt de ‘mechanische’ benadering van de onafhankelijkheid in de praktijk. Hoe onafhankelijk is een adviseur die onder een vast samenwerkingsverband in opdracht en voor rekening van het bestuursorgaan een advies uitbrengt? Zoals gezegd, bevatten veel samenwerkingscontracten clausules waarin staat dat minimaal een bepaald aantal advies-uren moet worden ‘afgenomen’ tegen een aantrekkelijk tarief.1 Gezien de grote onderlinge concurrentie en wildgroei aan (plan)schadeadviseurs is het waarschijnlijk dat een adviseur geen advies zal uitbrengen dat zijn ‘broodheer’ ongunstig stemt.2 Niet voor niets rekruteren bestuursorganen steeds vaker aan de hand van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Ik vraag mij af in hoeverre een dergelijke adviesrelatie de facto nog verschilt van een hiërarchisch ondergeschikte adviesrelatie. Met name bij een adviesinstantie als de SAOZ, die een aanzienlijk rol op dit terrein speelt, is het verschil flinterdun. Niet alleen staat deze instantie enkel overheidsorganen bij, ook leunt zij statutair gezien dicht tegen de overheid aan.3 Onverminderd actueel is Van Wijmen:
“In dit verband blijf ik mij vertwijfeld afvragen hoe het toch zit met de via statutair gezien uiterst strakke banden aan de overheid geketende Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken… Zijn (on)partijdigheid-en (on)afhankelijkheid-op-afstand wél toelaatbaar?”4
Primair is en blijft het natuurlijk aan appellanten om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de onafhankelijkheid naar voren te brengen. De rechter toetst de onafhankelijkheid niet ambtshalve.5 Wanneer de rechter geconfronteerd wordt met een klacht over de onafhankelijkheid zou het echter goed zijn als deze zijn oordeel omtrent de onafhankelijkheid zou voorzien van een kenbare motivering. Aan de hand van een disclosure statement zou inzichtelijk kunnen worden gemaakt hoe de adviseur zich verhoudt tot het betrokken overheidsorgaan. Dat voorkomt niet-onderbouwde aannames over de onafhankelijkheid en de daaropvolgende frustratie bij appellanten.