Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.3.3
8.3.3.3 De bestuursrechter houdt vast aan de onafhankelijkheidsnorm
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701926:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Graaf & Marseille 2011, p. 26; Van Ravels, O&A 2015/88, p. 167.
ABRvS 11 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY9901; ABRvS 16 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU4594; ABRvS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:795 (Binnenmaas); ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5105; ABRvS 26 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU4976; ABRvS 19 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC0536; ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:164; ABRvS 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2147; ABRvS 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3801; ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:151; ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4193.
ABRvS 11 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY9901; ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3736; ABRvS 26 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6072; ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1350.
ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3736 (Geldrop-Mierlo); ABRvS 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1718; ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3302; ABRvS 26 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6072; ABRvS 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2534; ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1350; ABRvS 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1878.
ABRvS 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4270; ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3302; ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5105; ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2195, AB 2020/388; ABRvS 18 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1126; ABRvS 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3508; ABRvS 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2555; ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:164. Andere appellanten zagen dan juist weer een gebrek aan onafhankelijkheid in het gegeven dat de adviseur ook particulieren en andere overheidslichamen bijstaat: ABRvS 28 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5953; ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0631, AB 2013/249.
ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:131; ABRvS 15 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7335; ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1588; ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1338.
ABRvS 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:357 (Lansingerland). Anders: Van Ravels, O&A 2015/88, p. 168, voetnoot 76.
ABRvS 21 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO2003; ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:343; ABRvS 25 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3999; ABRvS 4 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF1451; ABRvS 14 december 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA9544; ABRvS 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3015; ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1472; ABRvS 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2083.
ABRvS 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2893; ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3948.
ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1222.
ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4148.
ABRvS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0631, AB 2013/249; ABRvS 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2100; ABRvS 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3724.
ABRvS 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2555, r.o. 5.1.
Ondertussen hebben appellanten met tal van stellingen gepoogd te onderbouwen dat een adviseur die weliswaar hiërarchisch niet ondergeschikt is aan het bestuursorgaan, nog geen adviseur is die ook feitelijk, daadwerkelijk onafhankelijk is.1 Een dergelijke klacht wordt – naar mijn weten – nooit gehonoreerd. De Afdeling komt steevast tot de conclusie dat de stellingen van appellant geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de onafhankelijkheid opleveren.
Veel beproefd is de stelling dat dat de adviseur onvoldoende onafhankelijk is omdat deze in opdracht en voor rekening van het bestuursorgaan werkt.2 Ook wordt vaak betoogd dat het betreffende bestuursorgaan een financieel belang heeft bij de uitkomst van het advies.3 Daarmee hangt samen de stelling dat een adviseur meer adviesopdrachten zal krijgen wanneer hij vanuit het oogpunt van het bevoegd gezag gunstig taxeert.4 De Afdeling bestuursrechtspraak acht zulke betogen onvoldoende concreet. Wat de Afdeling ook onvoldoende concreet acht, is het betoog dat de ingeschakelde adviseur de vaste (plan)schadeadviseur van de gemeente is, althans vaker advieswerkzaamheden verricht.5 Dat geldt ook voor de stelling dat de adviseur exclusief overheidsorganen bijstaat.6 Van statutaire banden tussen een adviseur en de overheid wil de Afdeling bestuursrechtspraak niet weten.7 Ook de blote stelling dat de ingeschakelde adviseur niet onafhankelijk is, is – uiteraard – onvoldoende concreet.8 Wat appellanten voorts regelmatig tegen de borst stuit is het gegeven dat bestuursorgaan en adviseur elkaar persoonlijk kennen,9 tutoyeren,10 naast elkaar zitten tijdens de zitting11 of dat de adviseur het woord neemt tijdens de zitting.12 Hier naderen we de grens van de onpartijdigheid. Vaak meent de Afdeling dat een appellant dergelijke situaties verkeerd heeft geïnterpreteerd.
Een enkele keer wijst de Afdeling bestuursrechtspraak de onafhankelijkheidsklacht van de hand met een rechtstreekse verwijzing naar de norm uit de planschade- en nadeelcompensatieregelgeving:
“Vaststaat dat [X] onafhankelijk is, omdat hij niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de gemeenteraad of het college.”13
Daarmee is duidelijk dat de Afdeling bestuursrechtspraak vasthoudt aan de onafhankelijkheidsnorm zoals die wordt gegeven door de nadeelcompensatieregeling op grond waarvan het verzoek om nadeelcompensatie wordt gedaan.