Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.4.5.3
7.4.5.3 Belastingverdragen waarin de bepaling die is gebaseerd op art. 25, lid 4, NSV het karakter heeft van een meestbegunstigingsclausule
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS303185:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1985/86, 19 614, nr. 2 (Toelichtende nota), p. 16 en Kamerstukken II, 1986/87, 35-1985 (Handelingen).
Kamerstukken II, 1985/86, 19 614, nr. 2 (Toelichtende nota), p. 15.
De bepaling over non-discriminatie in het belastingverdrag met Nieuw-Zeeland is van toepassing vanaf 2005.
Een niet-inwoner/aandeelhouder wordt geacht een Nieuw-Zeelands lichaam of groep van lichamen te beheersen indien hij daarin direct of indirect een belang heeft van meer dan 50%.
Staten-Generaal 2001/02, 28 279, nrs. 278 en 1 (Toelichtende nota), p. 5.
Daarnaast is in art. 25, lid 4, van dit belastingverdrag het volgende bepaald: ‘Niets in dit artikel mag zodanig worden uitgelegd dat het aan een van beide Verdragsluitende Staten de wettelijke verplichting oplegt het voordeel van een behandeling, voorkeur of privilege verleend aan een derde Staat of zijn inwoners krachtens de oprichting van een douane unie, een economische unie, een vrijhandelszone of een regionale overeenkomst of plaatselijke overeenkomst die volledig of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing of kapitaalverkeer, waarbij de eerstgenoemde Verdragsluitende Staat partij kan zijn, uit te breiden tot de inwoners van de andere Verdragsluitende Staat.’ In de toelichtende nota is deze bepaling niet verduidelijkt.
Art. 24, lid 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en Canada is gebaseerd op art. 25, lid 4, NSV met dien verstande dat ondernemingen van een van de staten die worden beheerst door inwoners van de andere staat, moeten worden vergeleken met andere soortgelijke ondernemingen van de eerste staat die worden beheerst door inwoners van een derde staat. Deze bepaling heeft daarom het karakter van een meestbegunstigingsclausule.1 In dit belastingverdrag ontbreekt overigens een bepaling die overeenkomt met art. 25, lid 3, NSV. Canada wilde deze bepaling niet aanvaarden omdat zij in de weg zou kunnen staan aan de Canadese regels op het gebied van onderkapitalisatie.2
Ook art. 22 A, lid 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en Nieuw-Zeeland bevat een meestbegunstigingsclausule.3 In dit belastingverdrag is verder geen bepaling opgenomen die overeenkomt met art. 25, lid 3, NSV. Dit houdt verband met de Nieuw-Zeelandse regels tegen onderkapitalisatie. Deze regels beperken de aftrek van rentebetalingen aan een niet-inwoner/aandeelhouder. Dat is het geval als de niet-inwoner/aandeelhouder het betreffende lichaam (of groep van Nieuw-Zeelandse lichamen) beheerst4 en leningen aan dat lichaam heeft verstrekt. De aftrekbeperking is dan van toepassing voorzover de schulden van dat lichaam meer bedragen dan 75% van diens activa. Bovendien geldt de eis dat de debt to equity ratio van het Nieuw-Zeelandse lichaam hoger is dan 110% van de verhouding tussen de schulden en de activa van de wereldwijde groep waarvan zij deel uitmaakt. In verband hiermee wilde Nieuw-Zeeland niet met een bepaling instemmen die tot gevolg zou hebben dat rentebetalingen aan een inwoner van Nederland in dezelfde mate aftrekbaar zouden zijn als rentebetalingen aan zijn eigen inwoners. Nieuw-Zeeland wenste evenmin enige andere inperking op zijn regels tegen onderkapitalisatie te aanvaarden.5
Art. 25, lid 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en Koeweit heeft eveneens het karakter van een meestbegunstigingsclausule. In art. 25, lid 5, van dit verdrag is bovendien een bepaling opgenomen die overeenkomt met art. 25, lid 3, NSV.6