Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.3:2.3 Samenvattende conclusies
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.3
2.3 Samenvattende conclusies
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976989:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De diverse noties van burger en burgerschap zijn geanalyseerd. Burgerschap in de klassieke en middeleeuwse samenleving evolueert naar het moderne burgerschap dat zich kenmerkt door als verbindend democratisch burger te participeren in de democratische rechtsstaat en plurale samenleving. Burgerschap is te onderscheiden op micro-, meso- en macro- niveau, alsmede in nationaal, Europees en wereldburgerschap. Burgers in juridische zin worden verondersteld tevens burgers in morele zin te zijn. Burgers zijn zowel de dragers van rechten en plichten (formeel), als de subjecten-in-gemeenschap die participeren in een samenleving met morele kernwaarden (materieel).
De formele staatsburger als drager van rechten en plichten in overheidsverband bezit een verzameling juridische aanspraken. Materieel burgerschap kenmerkt zich veeleer als een psychosociale hoedanigheid en is geen gestold begrip, maar krijgt in een proces van socialisatie invulling al naargelang de tijdgeest. Zo bestaan als gangbare burgerschapsconcepten het aanpassingsgerichte, calculerend-individualiserende, kritisch-democratische en verbindend democratisch burgerschap.
De voor burgerschapsvorming belangrijke negentiende eeuw staat in het teken van de schoolstrijd, een emancipatiestrijd van de christelijk-orthodoxe en rooms-katholieke volksdelen voor eigen door de staat bekostigde scholen. De vrijheid van onderwijs (artikel 23 Gw) raakt verbonden met het invoeren van het algemeen kiesrecht. De schoolstrijd heeft zich in drie fasen voltrokken, met het admissierecht tot de stichting van scholen (eerste fase), de vrijheid van onderwijs in de Grondwet van 1848 (tweede fase) en de start in 1889 met de Wet-Mackay van de rijkssubsidie voor het verplichte aantal onderwijzers (derde fase), en is bekroond met de codificatie van de Pacificatie in de Grondwet van 1917, de Wet-Marchant van 1919, de Grondwet van 1922.
In de twintigste eeuw verschijnen ideeën over burgerschap als kwalitatieve status. In het interbellum staat burgerschapsvorming in het teken van het bieden van een tegenwicht aan de totalitaire stromingen, en van het versterken van de democratische rechtsstaat. Na de Tweede Wereldoorlog verschuift het accent naar het maatschappelijk, sociaal en cultureel burgerschap, wat gepaard gaat met collectieve identiteiten, de erkenning van de verschillen en de ruimte tot samenleven (persoon-in-gemeenschap). Reformpedagogen die de school als de aangewezen socialisatie-institutie zien, stellen voor de staatsburgerlijke vorming krachtiger ter hand te nemen. Maar veel blijft nog bij het oude.
Na verloop van tijd tekent zich in de tweede helft van de twintigste eeuw de sociale verzorgingsstaat af en zijn de burgerschapsrechten en -plichten niet langer voorbehouden aan de gegoede burgerij. De burgeremancipatie is in politieke zin voltooid. De afschaffing van de civielrechtelijke handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw (1956) en de invoering van de Bijstandswet (1965) mogen dit illustreren. Dan breekt de tijd van de civil society aan, waarin burgerschap met politieke, sociale en culturele rechten wordt geassocieerd. Met name de bevordering van de gemeenschapszin van Putnam in ‘Bowling Alone’ en ‘Better together’ geven het door mij voorgestane vormingsideaal van verbindend democratisch (staats)burger nadere legitimatie.