Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.4:7.2.4.4 Opsporing van relatieve klachtdelicten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.4
7.2.4.4 Opsporing van relatieve klachtdelicten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946220:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van de (on)mogelijkheid van opsporing voorafgaand aan de klacht verdient tot slot kort vermelding dat bij relatieve klachtdelicten sprake is van een andere dynamiek. Waar bij absolute klachtdelicten centraal staat dat niet wordt opgespoord totdat is geklaagd, gaat het er bij relatieve klachtdelicten om dat verdere opsporing en vervolging wordt gestaakt zodra de in art. 316 lid 2 Sr omschreven familiaire relatie tussen verdachte en slachtoffer in beeld komt. 1Bij het doen van aangifte van de betreffende vermogensmisdrijven is bij de aangever immers veelal nog niet bekend dat een familielid (mede) verantwoordelijk is voor het delict. Ik ben het met Van Dorst eens dat het relatieve klachtvereiste niet aan opsporing in de weg staat op het moment dat nog onduidelijk is of tussen een verdachte en het slachtoffer de relevante familiaire relatie bestaat, maar dat – zodra deze mogelijkheid in beeld komt – de opsporing primair moet zijn gericht op het verkrijgen van duidelijkheid op dit punt. 2Vanaf het moment dat de verdenking zich daadwerkelijk richt op een familielid dat is vermeld in art. 316 lid 2 Sr dienen geen verdere opsporings- en vervolgingshandelingen ten aanzien van die verdachte meer te worden verricht zolang een klacht ontbreekt. Ten aanzien van (mede)verdachten die geen familielid zijn van het klachtgerechtigde slachtoffer kan de opsporing en vervolging zonder meer worden voortgezet. Tot slot meen ik dat in de wetssystematiek besloten ligt dat een persoon die aangifte doet van een relatief klachtdelict geïnformeerd dient te worden over de identiteit van de verdachte op het moment dat bij politie en justitie het redelijk vermoeden is ontstaan dat een familielid het strafbare feit heeft begaan. Het is op dat moment aan de klachtgerechtigde om af te wegen of hij – vanwege de consequenties die dit kan hebben voor de familiaire omgang – bereid is de gevolgen van verdere opsporing en vervolging te dragen. Dit komt ook tot uitdrukking in art. 316 lid 3 Sr, waarin is bepaald dat de klachttermijn bij relatieve klachtdelicten aanvangt op het moment dat de klachtgerechtigde op de hoogte raakt van de identiteit van de verdachte. 3