Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.1:7.2.4.1 Geen opsporing bij het ontbreken van een klacht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.1
7.2.4.1 Geen opsporing bij het ontbreken van een klacht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946267:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Wetboek van Strafvordering uit 1838 was in de tweede alinea van art. 22 vermeld dat een aantal delicten uitsluitend op klacht werd vervolgd. In dat wetsartikel was expliciet verwoord dat bij het ontbreken van een klacht óók de naspeuring van klachtdelicten achterwege dient te blijven. Die wetsbepaling – en daarmee ook de zinsnede die opsporing verbood – verdween toen de wetgever in 1886 besloot om alle klachtdelicten in het Wetboek van Strafrecht aan te wijzen.1 Dit leidde tot de vraag of voorafgaand aan de ontvangst van een klacht opsporing wel acceptabel was. In de literatuur is echter vrij algemeen aangenomen dat geen sprake was van gewijzigd inzicht op dit punt. De Hoge Raad maakte in 1977 een einde aan deze discussie door te oordelen dat de strekking van de regeling van klachtdelicten met zich brengt dat ook opsporing achterwege dient te blijven zolang geen klacht is ontvangen. 2De regeling beoogt immers voorrang te verlenen aan het persoonlijk belang van de getroffene en dat belang kan niet alleen worden geschaad door de vervolging van het feit, maar ook reeds door de opsporing daarvan. De Hoge Raad maakt in voornoemd arrest één uitzondering op dit uitgangspunt: opsporing voorafgaand aan een klacht is ook acceptabel indien de klachtgerechtigde te kennen heeft gegeven dat onderzoek wenselijk te vinden.
De hiervoor omschreven wetsuitleg door de Hoge Raad draagt in belangrijke mate bij aan het goed functioneren van de regeling van klachtdelicten. Het stelt het belang van de klachtgerechtigde centraal dat erin bestaat dat hij niet ongewenst wordt geconfronteerd met justitieel optreden ten aanzien van het betreffende klachtdelict. Het is immers evident dat naast de vervolging van een strafbaar feit ook daaraan voorafgaande opsporingshandelingen ruchtbaarheid aan het delict kunnen geven en kunnen leiden tot gespannen verhoudingen in de familiesfeer als de dader en het slachtoffer verwant zijn. De klachtgerechtigde is er dus bij gebaat dat de opsporing achterwege blijft totdat hij via een klacht te kennen geeft dat opsporing en vervolging is gewenst.
Het is mijns inziens aangewezen om dit uitgangspunt – dat opsporing van klachtdelicten achterwege blijft tot aan de ontvangst van een klacht – opnieuw wettelijk te verankeren. Daarmee wordt de opsporingsautoriteiten ingescherpt dat zij in relatie tot klachtdelicten opsporingshandelingen achterwege behoren te laten totdat een klacht is ontvangen. Dit kan gemakkelijk worden bewerkstelligd indien gevolg wordt gegeven aan mijn eerdere voorstel om de regeling van klachtdelicten integraal op te nemen in het Wetboek van Strafvordering. In dat geval kan het artikel waarin de klachtdelicten worden aangewezen, aanvangen met de zinsnede dat de opsporing en vervolging van de nagenoemde delicten slechts na de ontvangst van een klacht plaatsheeft.
In hoofdstuk 4 paragraaf 4.5 is ook een tweede wijze benoemd waarop dit wettelijk kan worden geregeld. Uit de wettekst volgt dat sommige vervolgingsbeletselen leiden tot het verval van het recht op vervolging, terwijl andere vervolgingsbeletselen in de weg staan aan strafvordering. De wetgever zou er – anders dan tot op heden het geval is – voor kunnen kiezen om consequent betekenis toe te kennen aan dit terminologisch onderscheid. 3Zo is eerder door onder meer Van Dorst voorgesteld om vervolgingsbeletselen die zien op de strafvordering in de weg te laten staan aan de totale rechtsgang vanaf de opsporing tot aan de executie van de straf, waarmee dit soort beletselen een breder bereik zou krijgen dan de vervolgingsbeletselen die specifiek de vervolging verhinderen. Op dit moment is in relatie tot klachtdelicten echter steevast in de wet vermeld dat een klacht slechts is vereist voor de vervolging van het feit. Indien de wetgever het wenselijk acht om op de hiervoor omschreven wijze gevolgen te verbinden aan het terminologische onderscheid tussen beletselen die in de weg staan aan respectievelijk vervolging en strafvordering, zou hij bij klachtdelicten moeten vermelden dat het ontbreken van een klacht in de weg staat aan strafvordering. Het verbinden van duidelijke gevolgen aan voornoemd terminologische onderscheid verdient vanuit wetssystematisch oogpunt de voorkeur, maar zou leiden tot een aanzienlijke wetgevingsoperatie. De gevolgen van dit onderscheid werken immers door ten aanzien van alle vervolgingsbeletselen. Bij al die beletselen zou dan ook doordacht moeten worden of het vervolgingsbeletsel slechts de vervolging of de algehele strafvordering verhindert. Ten behoeve van de regeling van klachtdelicten is het dus eenvoudiger om met één wettelijke overweging duidelijk te maken dat bij gebreke aan een klacht zowel opsporing als vervolging achterwege dient te blijven.