Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.3.3
2.3.3 Het Handvest EU
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495328:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6 lid 1 VEU.
Zie onder meer Bongaarts 2013 en de conclusie van A-G Ettema bij HR 18 maart 2016, BNB 2016/97, pt. 7.1-7.13 (inzake het al dan niet aanwezig zijn van een strafrechtelijke sanctie).
Pt. 45-48 e.v. van de conclusie van A-G Kokott bij HvJ 23 november 2017, nr. C-246/16, V-N Vandaag 2017/2753 (Enzo di Maura). Dit arrest bespreek ik uitvoerig in paragraaf 3.3.6.2.1.
Volgens de A-G vormen particulieren het merendeel van de belastingplichtigen in het btw-recht. De A-G lijkt aldus te suggereren dat het Handvest EU enkel op particulieren van toepassing is, terwijl het Handvest EU hiervoor geen explicitiete aanleiding geeft. Uit rechtspraak van het HvJ zou kunnen worden opgemaakt dat ook rechtspersonen zich het Handvest EU kunnen beroepen. Zie bijvoorbeeld HvJ 18 februari 2016, nr. C-176/13 P (Bank Melat).
Zoals ik in de inleiding (paragraaf 1.2.1) al aangaf vormt betaling van een factuur (op grond van het zogenoemde factuurstelsel) geen voorwaarde voor het verschuldigd worden van de btw. In zoverre moet de btw door de ondernemer ‘voorgefinancierd’ worden: de btw moet bij het uitreiken van de factuur al aan de Belastingdienst worden voldaan, terwijl betaling van deze btw door de debiteur een poos kan duren. Hoe langer de betaling van de factuur op zich laat wachten, hoe langer een ondernemer de btw moet voorfinancieren.
Dit is anders als
Het Handvest EU is een bron van primair recht en heeft dezelfde status als een verdrag.1 Het is een juridisch bindend instrument. In het Handvest EU zijn de fundamentele rechten vastgelegd die door de EU en de lidstaten dienen te worden geëerbiedigd bij de implementatie van Uniewetgeving. In btw-zaken kent het Handvest EU (nog) weinig relevantie.2 Het Handvest EU passeerde bijvoorbeeld de revue in de conclusie van A-G Kokott bij de voor dit onderzoek relevante zaak Enzo di Maura.3 Daarin betoogt de A-G dat de op een particulier4 rustende verplichting om voor rekening van de staat (als onbezoldigd rijkskassier) belasting in te vorderen inbreuk maakt op de in het Handvest EU neergelegde grondrechten. De voorfinanciering van de btw5 raakt volgens de A-G de vrijheid van beroep, de vrijheid van ondernemerschap en het fundamentele eigendomsrecht (art. 15-17 Handvest EU).6 Het feit dat sommige ondernemers overeenkomstig art. 66 onderdeel b Btw-richtlijn pas bij ontvangst van de tegenprestatie btw dienen te betalen (heffing op grond van het zogenoemde kasstelsel) staat volgens de A-G tevens op gespannen voet met art. 20 Handvest EU, dat bepaalt dat eenieder voor de wet gelijk is. Dit betekent echter niet dat lidstaten door btw te heffen in strijd met het Handvest EU handelen. Lidstaten mogen overeenkomstig art. 52 Handvest EU de in het handvest opgenomen rechten en vrijheden namelijk beperken, mits zij de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden (blijven) eerbiedigen. Datzelfde artikel bepaalt vervolgens dat bij het doorvoeren van beperkingen steeds rekening moet worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel (dat deel uitmaakt van de algemene rechtsbeginselen; zie paragraaf 2.3.2.1.2). Volgens de A-G dient dan ook steeds in eerste instantie onderzocht te worden hoelang een inbreuk in de vorm van een voorfinanciering te rechtvaardigen valt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de voorwaarden, in het bijzonder de tijdsduur, waaronder een lidstaat een leverancier de mogelijkheid biedt de door hem voldane btw bij niet-betaling overeenkomstig de in dit onderzoek centraal staande btw-correctiebepalingen van de belastingdienst terug te vorderen.