De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/3.9:3.9 Conclusies
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/3.9
3.9 Conclusies
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284590:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
118. In dit hoofdstuk besprak ik de csqn-toets. Deze toets komt voort uit de empirische logica. De toets neemt tot uitgangspunt dat alle voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het intreden van een gevolg gezamenlijk als oorzaak daarvoor gelden. Óf een bepaalde gebeurtenis als voorwaarde geldt, moet volgens de empirische logica worden vastgesteld door de gebeurtenis weg te denken. Treedt het gevolg dan niet in, dan bestaat csqn-verband. Bestaat het gevolg dan nog steeds, dan bestaat geen causaal verband (§3.2).
119. We zagen verder dat de empirische logica en het civiele recht een net andere zoektocht ondernemen. De empirische logica wil weten wat de oorzaak is van een bepaalde aangetroffen toestand en inventariseert daartoe alle noodzakelijke voorwaarden. Het civiele recht zoekt daarentegen het csqn-verband tussen het onrechtmatig gedrag en de schade. Schade is een juridisch begrip dat de empirische logica vreemd is. Bovendien is het onrechtmatig gedrag slechts één van de voorwaarden voor de schade. Of dat gedrag een voorwaarde is voor de schade, stelt men als uitgangspunt vast door dat gedrag weg te denken (§3.3).
Om de csqn-toets beter uit te voeren loont het soms onderscheid te maken tussen de toestand waarin de gelaedeerde is komen te verkeren als gevolg van een onrechtmatige daad enerzijds en de door hem geleden schade anderzijds. De toestand vormt veelal het opstapje naar de vaststelling van de schade, maar het zijn te onderscheiden begrippen. Het onderscheid biedt bovendien een handvat bij de oplossing van casus met meervoudige causaliteit (§3.3 en 3.4).
120. Bij een onrechtmatig doen mogen aan de oorzakenkant van de causaliteitsvergelijking geen omstandigheden worden ‘bijgedacht’. Zo’n bijdenken is in sommige casus – maar ook weer lang niet in allemaal – intuïtief wel aantrekkelijk, maar draagt niet bij aan een helder, begrensd en op de empirische logica gegrond procedé voor het vaststellen van het csqn-verband. Een bijgedachte omstandigheid biedt bij een doen enkel inzicht in de omstandigheden die óók tot de schade zouden hebben geleid. Zo’n bijdenken is bij een onrechtmatig doen een normatieve bezigheid. Zo’n normatieve beoordeling vereist inbedding in andere leerstukken die daarvoor wel ruimte en criteria bieden. De Hoge Raad staat bijdenken bij een onrechtmatig doen als regel dan ook niet toe (§3.5).
121. Bij een onrechtmatig nalaten vereist de csqn-toets wel een bijdenken. Men denkt erbij wat de situatie zou zijn geweest als de laedens de geschonden norm zou zijn nagekomen. Het verschil met de werkelijke vermogenssituatie is de daardoor veroorzaakte schade. Zou de vermogenssituatie gelijk zijn geweest, dan ontbreekt het csqn-verband. Dit past binnen de logica die ook schuilgaat achter wegdenktoets bij een doen. Het bijdenken van het nagelaten gedrag stelt vast of dat nalaten een voorwaarde is voor de schade. De gedachte is immers dat dat nagelaten gedrag er wél had moeten zijn, zoals bij een doen het gedrag er juist niet had moeten zijn (§3.6).
122. Ten slotte is binnen de csqn-toets de inhoud van de geschonden norm van belang. Die norm bepaalt namelijk niet alleen of sprake is van een doen of een nalaten, maar ook welk gedrag precies weggedacht of – bij een nalaten – bijgedacht moet worden (§3.7).