Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/3.2
3.2 De ontwikkeling van de csqn-toets als ‘natuurkundige’ of empirische toets
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284513:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Witjens 2011, p. 3 en Asser/Sieburgh 6-II 2017 nr. 50-51.
Hume 1838, Boek I, deel 3; Hart & Honoré 1995, p. 14-17; Witjens 2011, p. 4.
Opzoomer 1879, p. 319. Door de Hoge Raad gevolgd in bijv. HR 15 juni 1888, W. 5572 (Ziegelaar/Van der Pek q.q.) en zelfs nog in de 20e eeuw: HR 2 februari 1912, W 9319, m.nt. E.M. Meijers. Zie bijv. Van der Kooij 2019, nr. 41-42.
Mill 1858, p. 200 e.v.; Hart & Honoré 1995, p. 19; Witjens 2011, p. 4-5.
Von Buri 1873; zie hierover Witjens 2011, p. 14-15.
54. In de heersende causaliteitsleer geldt het csqn-verband als beginpunt voor de vaststelling van voor aansprakelijkheid vereiste causaliteit. Na vaststelling van een csqn-verband volgt nog een normatieve beoordeling of de aldus gevonden ‘causale’ schade ook volledig voor vergoeding in aanmerking komt. Die toetsing vindt plaats binnen de kaders van (met name) art. 6:98 en 6:163 BW.1 De csqn-toets vormt de zoektocht naar het feitelijke, of logische, verband tussen de onrechtmatige daad en de schade. De juridische vergelijkingstoets vindt zijn grondslag in het empirisch filosofisch denken van David Hume en John Stuart Mill over oorzakelijkheid.
55. De causaliteitstoets van Hume is in de kern gebaseerd op de gedachte dat elkaar wetmatig – dat wil zeggen: systematisch en zonder uitzondering – opvolgende gebeurtenissen in causaal verband met elkaar staan. De wetmatige opvolging toont in zijn visie aan dat het gevolg een noodzakelijke band heeft met daaraan voorafgaande oorzaak en niet berust op louter (eenmalig) toeval. Die gedachtegang leidt tot het volgende causaliteitssyllogisme: (i) gebeurtenis A volgt wetmatig op gebeurtenis B, (ii) elkaar wetmatig opvolgende gebeurtenissen staan met elkaar in verband, (iii) gebeurtenis A is dus het gevolg van B. Het probleem van dit syllogisme is uiteraard dat premisse (ii) geen absolute waarheid is. Wetmatige opvolging wijst vaak op causaliteit, maar is daarvoor geen doorslaggevend bewijs: de maan en de zon volgen elkaar met ijzeren regelmaat afwisselend aan de hemel op, maar die twee gebeurtenissen staat toch niet met elkaar in causaal verband: de maan verschijnt, omdat hij om de aarde draait, terwijl de zon verschijnt omdat de aarde zelf draait. Hume maakte daarbij verder een wat gewrongen onderscheid tussen ‘oorzaak’ van een gebeurtenis en een daartoe noodzakelijke ‘omstandigheid’. De aanwezigheid van zuurstof was in zijn visie geen oorzaak van het ontbranden van een kaars, maar enkel een omstandigheid die ontbranden mogelijk maakt. De oorzaak van het ontbranden is het aansteken van de kaars.2
In de Nederlandse juridische doctrine heeft in de 19e eeuw een vergelijkbaar onderscheid bestaan. Men meende dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen ‘oorzaak’ en ‘aanleiding’. Slechts als men de schade had ‘veroorzaakt’ kon aansprakelijkheid bestaan. Daarvan was sprake als de schade het ‘rechtstreeks gevolg’ was van het onrechtmatig gedrag.3
56. Mill keert zich tegen de methode van Hume. Hij maakt duidelijk dat er binnen het causaliteitsdenken in empirisch logisch – en ook in natuurkundig – opzicht geen onderscheid gemaakt kan worden tussen het soortelijk gewicht dat aan verschillende oorzaken en/of omstandigheden toekomt. Er is voor een bepaalde gebeurtenis vrijwel steeds een eindeloze hoeveelheid omstandigheden aan te wijzen die ieder voor zich een noodzakelijke voorwaarde zijn voor het intreden van het gevolg. Die verschillende voorwaarden kunnen gelijktijdig bestaan, maar ook in een chronologische volgorde ten opzichte van elkaar staan. Dit zijn allemaal gelijkwaardige, want allemaal noodzakelijke, voorwaarden voor een bepaalde gebeurtenis. Het is steeds het geheel van die voorwaarden dat als oorzaak moet worden aangewezen.4 In het voorbeeld van het schietincident zijn als oorzaken onder meer aan te wijzen: (i) de aanwezigheid van het pistool, (ii) de aanwezigheid van de kogel en (iii) het overhalen van de trekker. Voorwaarden (i) en (ii) bestaan gelijktijdig, voorwaarde (iii) staat in een chronologische verhouding tot (i) en (ii). Hoe verder men teruggaat in de tijd, hoe meer voorwaarden er aan te wijzen zijn. Men identificeert de voorwaarden via een wegdenktoets: treedt het gevolg zonder de omstandigheid niet in, dan is zij daarvoor een voorwaarde.
57. De causaliteitsleer van Mill identificeert alle relevante voorwaarden voor een bepaalde gebeurtenis. Daarmee biedt de leer in logisch opzicht een gedegen basis voor het denken over causaliteit binnen het recht. De leer vereist echter aanpassing naar de juridische context. De jurist is namelijk niet geïnteresseerd in alle voorwaarden die tot een bepaald gevolg hebben geleid. Hij wil een scheiding maken tussen de in normatief opzicht relevante en niet-relevante voorwaarden. Toegespitst op onrechtmatig handelen: de jurist wil weten of dat handelen een voorwaarde is die (mede) tot het gevolg, de schade, heeft geleid.
58. De 19e-eeuwse Duitse jurist Maximilian von Buri heeft een op de juridische context toegespitste csqn-toets ontwikkeld. Hij bouwt in de door hem ontwikkelde csqn-toets voort op Mills ideeën. Zijn uitgangspunt is dat alle voorwaarden tezamen de oorzaak vormen van een bepaalde schade. Om de verschillende relevante voorwaarden te identificeren, moet bij wijze van gedachte-experiment steeds één van de daaraan voorafgaande omstandigheden weggedacht worden. Zou de schade dan niet zijn ingetreden, dan is die omstandigheid daarvoor een voorwaarde.5 In het voorbeeld van het schietincident zijn dus zowel de aanwezigheid van het pistool, de aanwezigheid van de kogel als het overhalen van de trekker een voorwaarde voor het intreden van de schade. Bij het wegdenken van een van die omstandigheden zou schutter Y immers niet dood zijn geschoten. De gedachte is daarbij dat zodra één van de voorwaarden een onrechtmatige gedraging inhoudt, sprake is van csqn-verband tussen de onrechtmatige daad en de schade.
59. Deze methode is vanuit de empirische/natuurwetenschappelijke logica goed verdedigbaar. Er zijn echter enkele verschillen tussen de juridische en de natuurkundige benadering die bij de uitvoering van de csqn-toets goed voor ogen gehouden moeten worden. In de volgende paragraaf komen die verschillen aan de orde.