Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.8.8
3.8.8 Transparantiebeginsel
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399613:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent het transparantiebeginsel in het algemeen Jans e.a. 2011, p. 192-199; Buijze 2011; Buijze en Widdershoven 2010; Drahmann 2010; Prechal 2008; Prechal & De Leeuw 2007; Prechal & De Leeuw 2008; Widdershoven/ Verhoeven e.a. 2007, p. 85-93.
Buijze 2011, p. 241; Buijze & Widdershoven 2010, p. 589.
Buijze & Widdershoven 2010, p. 589. Lenaerts reserveert het transparantiebeginsel nog voor de toegang tot documenten, zie Lenaerts 2004. Hetzelfde geldt voor Craig & De Bárca 2011, p. 541 e.v. Zie Drahmann 2011A voor een bespreking van het transparantiebeginsel in procedures voor de verdeling van schaarse publieke rechten.
Prechal 2008, p. 316; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 86.
GEU 19 maart 2010, T-50/05 (Evropaiki Dynamiki/Commissie), Jur. 2010, p. 1-1071, r.o. 55; HvJEG 29 april 2004, C-496/99P (Succhi di frutta), Jur. 2004, p. 1-3801, r.o. 108; HvJEG 4 december 2003, C-384/07 (Wienstrom), Jur. 2003, p. 1-14527, r.o. 47; HvJEG 25 april 1996, C-87/94 (Waalse bussen), Jur. 1996, p. 1-2043, r.o. 54. Zie ook Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 86.
HvJEG 12 december 2002, C-470/99 (Universale Bau), Jur. 2002, p. 1-11617, r.o. 93; HvJEG 25 april 1996, C-87/94 (Waalse bussen), Jur. 1996, p. 1-2043, r.o. 54.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 13 september 2007, C-260/04 (Commissie/Italië), Jur. 2007, p.1-7083, r.o. 24; HvJEG 29 april 2004, C-496/99P (Succhi di frutta), Jur. 2004, p. 1-3801, r.o. 109; HvJEG 12 december 2002, C-470/99 (Universale Bau), Jur. 2002, p.1-11617, r.o. 91; HvJEG 18 oktober 2001, C-19/00 (SIAC), Jur. 2001, p. 1-7725, r.o. 41; HvJEG 7 december 2000, C-324/98 (Telaustria), Jur. 2000, p. 1-10745, r.o. 62
HvJEU 9 september 2010, C-64/08 (Engelmann), Jur. 2010, p. 1-8219; HvJEU 13 april 2010, C-91/08 (Wall), Jur. 2010, p.1-2815; HvJEG 13 september 2007, C-260/04 (Commissie/Italië), Jur. 2007, p. 1-7083; HvJEG 6 april 2006, C-410/04 (ANAV), Jur. 2006, p. 1-3303; HvJEG 21 juli 2005, C-231/03 (Coname), Jur. 2005, p. 1-7287; HvJEG 7 december 2000, C-324/98 (Telaustria), Jur. 2000, p. 1-10745, r.o. 60-62; HvJEG 18 november 1999, C-275/98 (Unitron), Jur. 1999, p. 1-8291, r.o. 31. Zie ook Buijze & Widdershoven 2010, p. 593. Zie voor een mooie vergelijking tussen het aanbestedingsrecht en de verdeling van schaarse publieke rechten Jansen 2011.
HvJEU 3juni 2010, C-203/08 (Betfair), Jur. 2010, p. 1-4695, AB 2011, 17, m.nt. A. Buijze, JB 2010/171, m.nt. C.J. Wolswinkel, NJ 2010, 490, m.nt. M.R. Mok onder NJ 2010, 491, SEW 2011, p. 82-84, m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt. Het Hof overweegt in r.o. 46: 'Dat de aangifte van één vergunning niet gelijkstaat aan een concessieovereenkomst voor diensten, kan er op zich geen rechtvaardiging voor vormen dat bij de verlening van een administratieve vergunning (...) de uit artikel 49 EG voortvloeiende vereisten, met name het beginsel van gelijke behandeling en de transparantieverplichting, niet in acht worden genomen.'
Zie hieromtrent Drahmann 2010, p. 155 e.v.
Jans e.a. 2011, p. 192; Buijze 2011, p. 241 e.v.; Widdershoven/Verhoeven 2007, p. 90. Het Hof heeft het beginsel als zodanig voor het eerst erkend in HvJEG 13 september 2007, C260/04 (Commissie/Italië), Jur. 2007, p. 1-7083. Er bestaat nog wel discussie over de vraag in hoeverre sprake is van een zelfstandig algemeen rechtsbeginsel. Zie Jans e.a. 2011, p. 194; Buijze 2011, p. 242. Het transparantiebeginsel vertoont immers overlap met het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Zie omtrent deze overlap in het bijzonder Prechal 2008 en Prechal & De Leeuw 2007.
Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 90.
Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 90; Van Ommeren 2004.
GEU 15 april 2011, T-297/05 (IPK International/Commissie), n.n.g., AB 2011, 285, m.nt. A. Drabmann, SEW 2012, p. 121-125, m.nt. J.C.A. van Dam en J.E. van den Brink.
Zie hieromtrent verder hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.
Zie omtrent aanbesteden onder de drempel: HvJEU 23 december 2009, C-376/08 (Serrantoni), Jur. 2009, p. 1-12169, r.o. 22; HvJEG 21 februari 2008, C-412/04 (Commissie/Italië), Jur. 2008, p. 1-619; HvJEG 14 juni 2007, C-6/05 (Medipac), Jur. 2007, p. 1-4557, r.o. 33; HvJEG 20 oktober 2005, C-264/03 (Commissie/Frankrijk), Jur. 2005, p. 1-8831, r.o. 31-33. Zie ook GEU 20 mei 2010, T-258/06 (Duitsland/Commissie), Jur. p. II-2027.
Zie hieromtrent verder hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.5.
Het nu volgende overzicht is ontleend aan Buijze 2011, p. 236 e.v.; Stergiou 2011, p. 78 e.v.; Buijze & Widdershoven 2010, p. 594 e.v.; Drahmann 2010, p. 154-155 en Widdershoven/ Verhoeven e.a. 2007, p.89-90.
Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.
Zie Jans e.a. 2011, p. 197.
Zie Buijze 2011, p. 247.
Zie Buijze 2011, p. 247.
Zie hieromtrent verder hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.
Buijze & Widdershoven 2010, p. 594. Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p.89. Ook bijkomende werken moeten bekend worden gemaakt. Zie hieromtrent HvJEU 22 april 2010, C-423/07 (Commissie/Spanje), Jur. 2010, p. 1-3429.
Zie HvJEU 13 april 2010, C-91/08 (Wall), Jur. 2010, p.1-2815, r.o. 36; HvJEG 15 oktober 2009, C-196/08 (Acoset SpA), Jur. 2009, p. 1-9913, r.o. 49; HvJEG 13 september 2007, C-260/04 (Commissie/Italië), Jur. 2007, p. 1-7083, r.o. 24; HvJEG 6 april 2006, C-410/04 (ANAV), Jur. 2006, p. 1-3303, r.o. 21; HvJEG 12 december 2002, C-470/99 (Universale Bau), Jur. 2002, p. 1-11617, r.o. 92, HvJEG 7 december 2000, C-324/98 (Telaustria), Jur. 2000, p. 1-10745, r.o. 62. Volgens de interpretatieve mededeling van de Commissie die is vastgesteld in het kader van het aanbestedingsrecht volstaat het Publicatieblad van de EU altijd, maar kan voor kleine opdrachten wellicht worden volstaan met een advertentie in de lokale krant.
HvJEG 25 april 1996, C-87/94 (Waalse bussen), Jur. 1996, p. 1-2043, r.o. 55.
HvJEG 29 april 2004, C-496/99P (Succhi di frutta), Jur. 2004, p. 1-3801, r.o. 111.
GvEA 12 maart 2008, T-345/03 (Evropaiki Dynamiki/Commissie), Jur. 2008, p. 11-341, r.o. 144; HvJEG 29 april 2004, C-496/99P (Succhi di frutta), Jur. 2004, p. 1-3801, r.o. 109-111. Zie ook HvJEG 25 april 1996, C-87/94 (Waalse bussen), Jur. 1996, p. 1-2043, r.o. 88.
HvJEU 13 april 2010, C-91/08 (Wall), Jur. 2010, p. 1-2815; HvJEG 29 april 2004, C-496/99P (Succhi di frutta), Jur. 2004, p. 1-3801, r.o. 115-121.
GvEA 12 maart 2008, T-345/03 (Evropaild Dynamiki/Commissie), Jur. 2008, p.11-341, r.o. 145.
Zie HvJEG 29 april 2004, C-496/99P (Succhi di frutta), Jur. 2004, p.1-3801, r.o. 111 en HvJEG 18 oktober 2001, C-19/00 (SIAC), Jur. 2001, p. 1-7725, r.o. 42.
Zie HvJEU 10 december 2009, C-299/08 (Commissie/Frankrijk), Jur. 2009, p. 1-11587, r.o. 41; HvJEG 24 januari 2008, C-532/06 (Lianalcas), Jur. 2008, p.1-251, r.o. 36-38: een aanbestedende dienst kan geen afwegingsregels of subcriteria voor de gunningscriteria toepassen die hij niet vooraf ter kennis van de inschrijvers heeft gebracht; HvJEG 9 februari 2006, gevoegde zaken C-226/04 en C-228/04 (La Cascina), Jur. 2006, p.1-1347; HvJEG 14 oktober 2004, C-340/ 02 (Commissie/Frankrijk), Jur. 2009, p. 1-9845, r.o. 34; HvJEG 12 december 2002, C-470/99 (Universale Bau), Jur. 2002, p.1-11617, r.o. 96. Zie ook Drahmann 2010, p. 154; Widdershoven/ Verhoeven e.a. 2007, p. 89.
Artikel 53, tweede lid, van de richtlijn 18/2004. Zie ook HvJEG 24 januari 2008, C-532/06 (Lianakas), Jur. 2008, p. 1-251, r.o. 35; HvJEG 12 december 2002, C-470/99 (Universale Bau), Jur. 2002, p.1-11617, r.o. 97-98. Uit het arrest HvJEU 18 november 2010, C-226/09 (Commissie/ Ierland), Jur. 2010, p. 1-11807, r.o. 43 en 44, NJ 2011, 87 blijkt echter dat het niet om een absolute verplichting gaat. Zo mag de weging van de criteria ook worden vastgesteld nadat de offertes zijn ontvangen; zij mag echter niet meer worden gewijzigd.
HvJEG 12 december 2002, C-470/99 (Universale Bau), Jur. 2002, p. 1-11617, r.o. 99.
HvJEG 4 december 2003, C-384/07 (Wienstrom), Jur. 2003, p. 1-14527, r.o. 92; HvJEG 18 oktober 2001, C-19/00 (SIAC), Jur. 2001, p. 1-7725, r.o. 43.
HvJEG 4 december 2003, C-384/07 (Wienstrom), Jur. 2003, p. 1-14527, r.o. 93. Zie ook Drahmann 2010, p. 154; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 90.
Drahmann 2010, p. 155. Zie HvJEG 4 december 2003, C-384/07 (Wienstrom), Jur. 2003, p. 1-14527, r.o. 48; HvJEG 18 oktober 2001, C-19/00 (SIAC), Jur. 2001, p. 1-7725, r.o. 44.
In HvJEG 25 april 1996, C-87/94 (Waalse bussen), Jur. 1996, p. 1-2043, r.o. 56, overweegt het Hof dat wanneer een aanbestedende dienst rekening houdt met een wijziging in de oorspronkelijke aanbieding van één enkele inschrijver, deze laatste wordt bevoordeeld tegenover zijn concurrenten, hetgeen indruist tegen het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers en afbreuk doet aan de doorzichtigheid van de procedure. Zie ook Buijze 2011, p. 246; Buijze & Widdershoven 2010, p. 595; Pijnacker Hordijk e.a. 2009, p. 464.
Pijnacker Hordijk e.a. 2009, p. 464-465.
Pijnacker Hordijk e.a. 2009, p. 467. Prenen spreekt van een evidente vergissing. Zie Prenen 2009, p. 318. Hij verwijst daarbij echter niet naar Europese maar naar nationale jurisprudentie.
GEU 10 december 2009, T-195/08 (Antwerpse Bouwwerken/Commissie), Jur. 2009, p. 1I-4439, r.o. 54; GvEA 8 mei 1996, T-19/95 (Adia interim/Commissie), Jur. 1996, p. 11-321, r.o. 43 en 44.
GEU 10 december 2009, T-195/08 (Antwerpse Bouwwerken/Commissie), Jur. 2009, p. 1I-4439, r.o. 55; GvEA 8 mei 1996, T-19/95 (Adia interim/Commissie), Jur. 1996, p. 1I-321, r.o. 45.
GEU 10 december 2009, T-195/08 (Antwerpse Bouwwerken/Commissie), Jur. 2009, p. 1I-4439, r.o. 56; GvEA 27 september 2002, T-211/02 (Tideland Signal/Commissie), Jur. 2002, p.11-3781, r.o. 37 en 38. In laatstgenoemde uitspraak ging het om de verplichting van het evaluatiecomité om preciseringen te vragen.
GEU 10 december 2009, T-195/08 (Antwerpse Bouwwerken/Commissie), Jur. 2009, p. 11-4439, r.o. 56;
HvJEG 25 april 1996, C-87/94 (Waalse bussen), Jur. 1996, p. 1-2043, r.o. 55. Zie Widdershoven/ Verhoeven e.a. 2007, p. 89. Zie omtrent de openbare procedure Essers 2009, p. 146.
Artikel 41 van de richtlijn 18/2004. Zie de Conclusie van de A-G bij het arrest Coname (HvJEG 21 juli 2005, C-231/03 (Coname), Jur. 2005, p. I-7287),r.o. 89. Zie ook HvJEG 18 juni 2002, C-92/00 (Hospita! Ingenieure Krankenhaustechnik Planungs-Gesellschaft), Jur. 2002, p. I5553, r.o. 41 en 42.
Artikel 43 van de richtlijn 18/2004. Zie de Conclusie van de A-G bij het arrest Coname (HvJEG 21 juli 2005, C-231/03 (Coname), Jur. 2005, p. 1-7287), r.o. 89. Zie ook Drahmann 2010, p. 155.
Zie bijvoorbeeld GvEA 25 februari 2003, T-183/00 (Strabag), Jur. 2003, p. 11-135; GvEA 26 februari 2002, T-169/00 (Esedra), Jur. 2002, p. II-2951. Zie hieromtrent Van Rijn van Alkemade 2011, p. 398; Essers 2009, p. 458-459; Pijnacker Hordijk e.a. 2009, p. 524-525.
Zie artikel100, tweede lid, van het Financieel Reglement en artikel 149 van de Uitvoeringsverordening.
Zie GEU 19 maart 2010, T-50/05 (Evropaiki Dynamiki/Commissie), Jur. 2010, p. II-341, r.o. 139. In de arresten GEU 9 september 2010, T-300/07 (Evropaiki Dynamiki/Commissie), Jur. 2010, p. II-4521; GvEA 20 mei 2009, T-89/07 (VIP Car Solutions SARL), Jur. 2009, p. 11-1403 was niet aan de motiveringsplicht voldaan.
HvJEG 2 oktober 2003, C-194/99P (Thyssen Stahl/Commissie), Jur. 2003, p. 1-10821, r.o. 31. Zie ook GvEA 12 maart 2008, T-345/03 (Evropaiki Dynamiki/Commissie), Jur. 2008, p. II-341, r.o. 147; GvEA 30 september 2003, gevoegde zaken T-191/98 en T-212/98-T-214/98 (Atlantic Container Line e.a./Commissie), Jur. 2003, p. 11-3275, r.o. 340 en 430.
Het transparantiebeginsel is een Europees beginsel dat nog steeds in ontwikkeling is.1 Bij transparantie gaat het om de beschikbaarheid, toegankelijkheid en duidelijkheid van informatie over overheidshandelen.2 Het kan betrekking hebben op (de toegang tot) concrete bij de overheid berustende documenten, maar het kan ook gaan om procedures waarvan duidelijk moet zijn hoe ze zullen verlopen, of eisen die gesteld worden aan burgers en die helder moeten worden gecommuniceerd.3 Het transparantiebeginsel krijgt op verschillende manieren invulling, naar gelang de context waarin het beginsel wordt gebruikt.4 Het beginsel heeft zich in het bijzonder ontwikkeld in het kader van de Europese openbaarheid van bestuur en het Europese aan-bestedingsrecht. Bij de aanbestedingsprocedure dient het beginsel van gelijke behandeling te worden geëerbiedigd zodat de inschrijvers gelijke kansen hebben.5 Teneinde enerzijds dergelijke gelijke kansen daadwerkelijk te scheppen6 en anderzijds de naleving van het gelijkheidsbeginsel te kunnen controleren, moet de gehele aanbestedingsprocedure - van aankondiging tot gunning - 'doorzichtig' zijn.7
Voor het onderhavige onderzoek is het transparantiebeginsel met name relevant in de betekenis die het heeft gekregen bij de verdeling van overheidsopdrachten. Steeds vaker wordt het transparantiebeginsel op met de aanbesteding vergelijkbare procedures toegepast, zoals de verdeling van schaarse dienstenvergunningen en concessies.8 Voorts heeft het Hof in het arrest Betfair uitgemaakt dat het transparantiebeginsel ook van toepassing is bij de toekenning van een vergunning in een éénvergunningstelsel.9 Verder is het transparantiebeginsel ook opgenomen in de Dienstenrichtlijn.10 Het transparantiebeginsel heeft zich op Europees niveau derhalve ontwikkeld tot een algemeen rechtsbeginsel.11 Dit betekent dat het beginsel mogelijkerwijs naar andere gebieden kan worden geëxtrapoleerd buiten het aanbestedingsrecht, concessies en schaarse vergunningen.12 Gelet op het voorgaande, is het een interessante vraag in hoeverre het beginsel ook van toepassing zou kunnen zijn op de verdeling van Europese subsidies.
In de literatuur wordt betoogd dat met een grote mate van zekerheid kan worden gesteld dat het transparantiebeginsel en de daaruit voortvloeiende vereisten in ieder geval opgaan voor objectieve verdelingsmechanismen, waarmee aanvragen met elkaar worden vergeleken en enkel één of een beperkt aantal van die aanvragen kan worden gehonoreerd.13 Waar de grenzen exact liggen is echter nog niet uitgekristalliseerd. Uit artikel 109 van het huidige Financieel Reglement volgt dat het transparantiebeginsel in ieder geval van toepassing is op de verdeling van Europese subsidies die op (indirect) gecentraliseerde wijze worden verstrekt. Recent heeft het Gerecht erkend dat het transparantiebeginsel ook van toepassing is op Europese subsidies die onder het oude Financieel Reglement door de Europese Commissie werden verstrekt.14 In dit oude Financieel Reglement was nog geen verwijzing naar het transparantiebeginsel opgenomen. Het Hof van Justitie heeft echter nog nooit expliciet de vraag beantwoord of en in hoeverre het transparantiebeginsel ook van toepassing is op de verdeling van schaarse Europese subsidies door nationale uitvoeringsorganen. Hiervoor valt wel wat te zeggen nu de verdeling van schaarse Europese subsidies veel gelijkenis vertoont met de verdeling van concessies en vergunningen.15
Inmiddels is wel duidelijk dat in de eerste plaats de eindontvangers van de Europese subsidie die aanbestedingsplichtig zijn en de uitvoering van projecten aan derden uitbesteden, verplicht zijn om boven bepaalde drempel-bedragen de aanbestedingsprocedure te volgen. Ten tweede zijn ook beneden de drempelbedragen aanbestedingsplichtige eindontvangers16 en in veel gevallen ook niet-aanbestedingsplichtige eindontvangers verplicht bij het inschakelen van derden het transparantiebeginsel in acht te nemen.17
In het kader van de aanbestedingsprocedure zijn uit het transparantiebeginsel allerlei concrete procedureverplichtingen gedestilleerd die de aanbestedende dienst moet naleven. Deze verplichtingen hebben allemaal betrekking op de meestal actieve verstrekking van informatie onder inschrijvers en potentiële inschrijvers, zowel voor, tijdens, als na de aanbestedingsprocedure.18 Zij zijn in meer of mindere mate ook relevant bij de verdeling van Europese subsidies en voor eindontvangers van Europese subsidies die aanbestedingsplichtig zijn.19 Op deze plaats volstaat het aan te geven welke eisen uit het transparantiebeginsel voortvloeien bij de verdeling van opdrachten in het kader van het aanbestedingsrecht. De hierna te bespreken eisen gelden ook zodra concessies en vergunningen door middel van een vergelijkende toets worden verdeeld.20 Niet uit het oog moet worden verloren dat het transparantie-beginsel ook van toepassing is wanneer een ander verdelingsmechanisme, zoals het 'wie het eerst komt, het eerst maalt'-systeem, wordt gehanteerd.21 Het transparantiebeginsel vereist immers niet dat concessies en vergunningen door middel van een vergelijkende toets worden verdeeld.22 Bij lezing van deze paragraaf moet voorts worden bedacht dat nog niet is uitgekristalliseerd of alle eisen die uit het transparantiebeginsel voortvloeien wat betreft het aan-bestedingsrecht, onverkort van toepassing zijn op de verdeling van Europese schaarse subsidies.23
Een eerste eis die voortvloeit uit het transparantiebeginsel is dat moet worden bekendgemaakt dat er een opdracht, concessie of vergunning is te vergeven.24 Aan elke potentiële gegadigde dient een passende mate van openbaarheid te worden gegarandeerd.25 Ook de uiterste datum van inschrijving worden opgenomen.26 In de bekendmaking moet verder duidelijk worden gecommuniceerd wat de voorwaarden voor inschrijving zijn en welke procedure zal worden gevolgd.27 Alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure dienen in de aankondiging van de opdracht/concessie/ vergunning of in het bestek te worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze.28 Van deze voorwaarden mag gedurende de gehele procedure niet worden afgeweken.29 Het beginsel van doorzichtigheid vereist eveneens dat alle technische informatie die relevant is voor een goed begrip van de aankondiging van de opdracht of van het bestek zo snel mogelijk ter beschikking wordt gesteld.30
Verder geldt de eis dat de selectiecriteria zodanig moeten zijn geformuleerd dat iedere redelijk geïnformeerde en zorgvuldige inschrijver ze op dezelfde manier zal interpreteren.31 Dit zijn de criteria waaraan de inschrijver in ieder geval moet voldoen. Ook de gunningscriteria, welke dienen om een vergelijking te maken tussen de verschillende inschrijvingen, moeten eenduidig en helder zijn geformuleerd en van te voren worden vastgesteld en gecommuniceerd naar potentiële inschrijvers.32 Indien mogelijk wordt de weging van de verschillende criteria aangegeven, bijvoorbeeld door de criteria op volgorde van belangrijkheid te zetten.33 Indien afwegingsregels zijn vastgesteld, dienen deze te worden bekendgemaakt aan potentiële inschrijvers.34 Tijdens de procedure moeten de gunningscriteria steeds op dezelfde wijze worden geïnterpreteerd35 en mogen zij niet worden gewijzigd.36 Ook moeten zij uniform en objectief worden toegepast.37 Dit betekent dat na binnenkomst van een tender deze niet nader inhoudelijk mag worden aangevuld; de aanbestedende dienst mag hierom ook niet vragen.38 Volgens Pijnacker Hordijk e.a. zou wel de inschrijving mogen worden verduidelijkt onder de voorwaarde dat inschrijvers gelijk worden behandeld.39 Verder zou het herstellen van onbedoelde fouten en fouten die de mededinging tussen partijen niet raken, mogelijk moeten zijn.40 De Europese richtlijnen en de jurisprudentie bieden hieromtrent geen duidelijkheid. Wel kunnen enige aanknopingspunten worden gevonden in het aanbestedingsrecht dat geldt voor opdrachten die worden uitgegeven door de Europese instellingen.
Voor Eu-aanbestedingen geldt bijvoorbeeld artikel 148 van de Commissieverordening behorend bij het Financieel Reglement waarin aan de instellingen de mogelijkheid wordt geboden om met de inschrijver contact op te nemen indien een offerte aanleiding geeft tot een verzoek om opheldering of indien duidelijk materiële fouten in de bewoordingen van de offerte moeten worden verbeterd. Dit is echter geen verplichting.41 In de jurisprudentie is uitgemaakt dat dit alleen anders ligt indien de Commissie op grond van algemene rechtsbeginselen verplicht kan zijn om contact op te nemen met een inschrijver.42 Dit is het geval wanneer een offerte dubbelzinnig is opgesteld en blijkens de omstandigheden van de zaak waarvan de Commissie kennis heeft, de dubbelzinnigheid waarschijnlijk eenvoudig te verklaren is en gemakkelijk kan worden opgeheven.43 Dan is het in beginsel in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur wanneer de Commissie een inschrijving afwijst zonder gebruik te maken van haar bevoegdheid om preciseringen te vragen.44
De inhoud van alle inschrijvingen dient in geval van een openbare procedure gelijktijdig te worden bekendgemaakt.45 Ook moet de uitkomst van de procedure aan de inschrijvers worden meegedeeld.46 Ten behoeve van de controleerbaarheid zijn er registratieverplichtingen. Zo moeten documenten worden bewaard en een proces-verbaal worden opgesteld.47 Wat betreft de motivering van de afwijzing bepaalt artikel 41, tweede lid, van de aanbestedingsrichtlijn nr. 2004/18 dat op verzoek van de betrokken partij, iedere afgewezen gegadigde in kennis wordt gesteld van de redenen voor de afwijzing. Verder dient iedere inschrijver die een aan de eisen beantwoordende inschrijving heeft gedaan, in kennis te worden gesteld van de kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving, alsmede van de naam van de begunstigde of de partijen bij de raamovereenkomst. Uit jurisprudentie van het Gerecht blijkt echter dat een gunningsbeslissing reeds voldoende is gemotiveerd als de aanbesteder vermeldt welke procedure bij de beoordeling van de inschrijvingen is gevolgd, dat de winnaar is gekozen op basis van de economisch voordeligste inschrijving of de laagste prijs, en in hoeverre de aanbieding van de informatie-vragende inschrijver ten aanzien van de criteria over het geheel genomen beter of slechter was gerangschikt dan de winnende inschrijver.48 Inzake Eu-aanbestedingsopdrachten bepaalt het Financieel Reglement en de daarbij behorende Commissieverordening eveneens dat de afgewezen inschrijver in kennis moet worden gesteld van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte en de naam van degene aan wie de opdracht is gegund.49 Het Gerecht heeft deze bepaling zo uitgelegd dat aan de daarin neergelegde vereisten pas is voldaan indien op verzoek een uittreksel van het rapport van het evaluatiecomité is verstrekt met daarin onder meer het uitvoerige commentaar van het evaluatiecomité op de offerte van de gekozen inschrijver en de afgewezen inschrijver met betrekking tot elk gunningscriterium.50 Hoe deze laatste jurisprudentielijn zich verhoudt tot de jurisprudentielijn die geldt voor aanbestedingen in de lidstaten, is niet duidelijk.
Schending van het transparantiebeginsel betekent niet altijd dat het besluit tot gunning van de opdracht moet worden vernietigd. Het Hof heeft in het kader van het Eu-aanbestedingsrecht uitgemaakt dat een procedurele onregelmatigheid slechts tot nietigverklaring van het betrokken besluit kan leiden, indien wordt aangetoond dat de administratieve procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben indien de inschrijver vanaf het begin van de procedure toegang zou hebben gehad tot de betrokken informatie en er een - ook maar geringe - kans bestond, dat zij een andere uitslag van de administratieve procedure had kunnen bewerkstelligen.51