De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.1.3:4.2.1.3 Wetboek van Koophandel van 1928: achtergrond
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.1.3
4.2.1.3 Wetboek van Koophandel van 1928: achtergrond
Documentgegevens:
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649802:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Jongh, p. 184-196; Van Hasselt 1919, p. 24-25.
Huussen-De Groot, 1976, p. 125.
Kemp 2015, p. 27; De Jongh 2014, p. 211.
Zie Belinfante 1890. De staatscommissie werd ingesteld bij Koninklijk besluit nr. 26, d.d. 22 november 1879.
Belinfante 1929, p. 39.
Zie verder Völlmar 1928, p. 1-3.
Kamerstukken II 1909/10, 217, nr. 3, p. 16. Zie verder Völlmar 1928, p. 9; Honeé 1989, p. 37. Zie ook Kemp 2015, p. 31.
Völlmar 1928, p. 49.
Völlmar 1928, p. 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omstreeks 1860 ontstond de wens om de voor oprichting van een vennootschap benodigde Koninklijke bewilliging af te schaffen.1 In Frankrijk en Duitsland leefde op dat moment dezelfde wens en werd in respectievelijk 1867 en 1870 de overheidgoedkeuring bij de SA en de AG afgeschaft.2 In plaats daarvan werd een systeem geïntroduceerd waarbij andersoortige waarborgen ten behoeve van derden in de wet werden vastgelegd. Geïnspireerd door deze ontwikkelingen,3 diende minister Jolles op 4 november 1871 een ontwerp van wet tot regeling der naamlooze vennootschappen in bij de Tweede Kamer.4 In dit Ontwerp Jolles was niet langer een Koninklijke bewilliging nodig om een NV op te richten. Ter compensatie van het wegvallen van de Koninklijke bewilliging dienden aandeelhouders op andere wijze bescherming te genieten.5 De gewenste bescherming werd onder meer gecreëerd door de positie van de individuele aandeelhouders te verstevigen door hen specifieke zeggenschapsrechten toe te kennen. Een van die zeggenschapsrechten was het recht van aandeelhouders die alleen of tezamen tenminste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen om een algemene vergadering bijeen te roepen.6 Het Ontwerp Jolles werd kritisch ontvangen. De Tweede Kamer was positief over het afschaffen van de Koninklijke bewilliging, maar er bestond onenigheid over hoe aandeelhouders en derden beschermd moesten worden bij het wegvallen ervan.7 Als gevolg van de niet te overbruggen meningsverschillen over dit thema werd het Ontwerp Jolles ingetrokken.
In 1890 volgt een nieuw ontwerp, ditmaal opgesteld door de staatscommissie onder leiding van J.G. Kist.8 Ook in het Ontwerp Kist kwam de Koninklijke bewilliging niet terug en zijn ter compensatie verschillende voorschriften opgenomen die de belangen van aandeelhouders (en derden) moesten beschermen. Sommige van die voorschriften stonden ook al in het Ontwerp Jolles. Een voorbeeld van een dergelijk voorschrift is de mogelijkheid voor aandeelhouders om een algemene vergadering bijeen te roepen. Op het Ontwerp Kist volgt geen wetsvoorstel van regeringszijde, maar het heeft wel betekenis voor het WvK 1928. Verschillende bepalingen uit het ontwerp en de toelichting daarop zijn namelijk uitgangspunt geweest bij het opstellen van het Ontwerp Nelissen, welk ontwerp de basis vormt voor het WvK 1928. Met het Ontwerp Nelissen wordt onder meer nagestreefd om de positie van de minderheidsaandeelhouder te beschermen.9 Het Ontwerp Nelissen wordt op 14 februari 1910 bij de Tweede Kamer ingediend.10 In 1925 volgt een Gewijzigd ontwerp van wet van minister Heemskerk,11 en in 1927 een Nader gewijzigd ontwerp van wet van minister Donner.12 Het Nader gewijzigde ontwerp van wet wordt op 1 april 1927 in enigszins geamendeerde vorm in de Tweede Kamer aangenomen. De eindstemming in de Eerste Kamer vindt plaats op 19 juni 1928.13
Het WvK 1928 kent vier grondslagen: (i) openbaarheid van inrichting en machtsverdeling, (ii) bescherming van het vermogen, (iii) onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van oprichters, bestuurders en commissarissen, en (iv) bescherming van de positie van minderheidsaandeelhouders.14 Ook onder het WvK 1928 komt de hoogste macht of zeggenschap toe aan de gezamenlijke aandeelhouders, of zo men wil: de algemene vergadering.15 De Koninklijke bewilliging, die vanuit de CdC was overgenomen in het WvK 1838, werd uiteindelijk in het nieuwe art. 36e WvK 1928 vervangen voor een ministeriële verklaring van geen bezwaar. Materieel veranderde daarmee echter niets. De controle op de akte van oprichting (en dus de statuten) bleef bij het departement van Justitie.16