Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.6.6.1
4.6.6.1 Inleidende opmerkingen
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297963:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor het hoger beroep Hof Den Bosch 17 mei 2016, JA 2016/106 en 20 december 2016,ECLI:NL:GHSHE:2016:5604 (Paard Dika) en mijn bespreking daarvan in par. 3.4.
Asser Procesrecht/Asser 3 2013/287. Zie ook A-G Langemeijer in zijn conclusie sub 2.3 (met verwijzingen) voor HR 7 december 2012, RvdW 2013/7 (Onttrekkingen aan boedel).
Dit type verweren wordt ook wel het ‘ja, maar’-verweer genoemd, ter onderscheiding van een ‘nee, want’-verweer dat als een bestrijdend verweer wordt aangemerkt. Zie bijvoorbeeld HR 17 maart 2017, RvdW 2017/372 (Lekkende kelder).
Zie voor een en ander Asser Procesrecht/Asser 3 2013/57, 282 en 289; Rutgers en Krans 2014, p. 44- 47; Thoe Schwartzenberg 2013, p. 80-94.
Vgl. Thoe Schwartzenberg 2013, p. 76, 88-89, die aangeeft dat de bewijslast rust op degene ten behoeve van wie de uitzondering is gemaakt. Zie zodoende op het gebied van de kwalitatieve aansprakelijkheid voor zaken bijvoorbeeld de tenzij-clausules van art. 6:173, 174 en 179, alsook die van art. 6:181 lid 1. Vgl. ook HR 30 november 2012, NJ 2012/689 (Paalrot), r.o. 4.1 (slot).
De hiervoor verdedigde verhoudingen binnen het stelsel van art. 6:181 jo. 6:173, 174 en 179 kunnen ook van betekenis zijn op het gebied van de stelplicht en bewijslast. Wanneer in geval van schadeveroorzaking door een zaak de daarbij betrokken verhoudingen of feitelijke gang van zaken niet meer of nog maar moeilijk te achterhalen zijn/is, kan de bewijslastverdeling van beslissend belang zijn voor de uitkomst van de zaak. In Rb. Zeeland-West-Brabant 9 januari 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:2504 en 9 juli 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:4642 (Paard Dika) betrof het een benadeelde die tijdens een paardrijles bij een ruitersportcentrum van een paard viel en letsel opliep.1 Bekend was dat het betreffende paard Dika in eigendom toebehoorde aan een derde. De benadeelde sprak stichting Caprice als bedrijfsmatige gebruiker van het paard aan ex art. 6:181. Caprice betwistte echter ten tijde van het ongeval de bedrijfsmatige gebruiker van het paard te zijn geweest. Daartoe voerde zij aan ten tijde van het ongeval – kort daarvoor was de eerdere exploitant vertrokken – nog niet met haar bedrijfsvoering in de betreffende manege te zijn gestart. Ook gaf Caprice aan zelf geen rijlessen te verzorgen maar louter paarden te stallen en voor paardrijlessen beschikbaar te stellen aan instructeurs, die daarmee dan op zelfstandige basis lessen gaven. Het ongeval vond volgens Caprice plaats tijdens een les van een van deze instructeurs. Omdat het de rechtbank al met al niet duidelijk was wie ten tijde van het ongeval verantwoordelijk was voor de aan de benadeelde gegeven paardrijles waarbij het ongeval zich had voorgedaan, werd de benadeelde als eisende partij opgedragen:
‘feiten en omstandigheden [te bewijzen], waaruit kan worden afgeleid dat op de maandagavond in november 2003 zij op (het paard) Dika reed, Dika door Caprice werd gebruikt in de uitoefening van haar bedrijf.’
Na het horen van diverse getuigen was de onduidelijkheid volgens de rechtbank nog altijd niet weggenomen. Zij oordeelde dat de benadeelde niet het bewijs had geleverd van haar stelling dat Caprice ten tijde van het ongeval bedrijfsmatige gebruiker was van paard Dika en wees de tegen haar op grond van art. 6:181 jo. 179 ingestelde vordering af.
In deze zaak viel het doek over de vordering omdat de benadeelde als eiser het verweer van Caprice, inhoudende dat zij ten tijde van het ongeval geen bedrijfsmatige gebruiker van het schadeveroorzakende paard was, onvoldoende gemotiveerd had bestreden. Onder het oude recht zou de uitkomst een andere zijn geweest. Op voet van art. 1404 OBW kon de benadeelde immers steeds volstaan met het aanspreken van de eigenaar van het schadeveroorzakende dier. Het was vervolgens aan hem zonodig aan te tonen dat ten tijde van de schadeveroorzaking een ander als ‘gebruiker’ van zijn dier had te gelden. De bewijslast – en daarmee het bewijsrisico – van ‘gebruik’ door een ander lag op grond van art. 1404 OBW derhalve bij de aangesproken eigenaar. Zou dit systeem ook gevolgd worden bij art. 6:181 jo. 179 (alsmede art. 6:173 en 174), dan zou dat de benadeelde in de Dika-zaak vermoedelijk uitkomst geboden hebben. In deze zaak bestond namelijk discussie over wie op het moment van de schadeveroorzaking als bedrijfsmatige gebruiker van het paard ex art. 6:181 had te gelden, maar was wél bekend wie daarvan ten tijde van het ongeval de in art. 6:179 bedoelde bezitter was. De onduidelijkheid omtrent het (eventuele) bedrijfsmatige gebruik van het paard door een ander zou dan niet voor risico van de benadeelde maar van de aangesproken bezitter zijn gekomen.
Bezien we het huidige recht, dan valt te constateren dat de wisselwerking tussen de op grond van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 aansprakelijke personen een wezenlijk andere is dan die tussen de ingevolge art. 1404 OBW aansprakelijke personen. Het bewijsregime van art. 1404 OBW is dan ook niet automatisch te projecteren op het stelsel van art. 6:181 jo. 179 (alsmede art. 6:173 en 174). Van belang is dat de verdeling van de bewijslast nauw verwant is met de toepasselijke materiële rechtsregels die het geschil beheersen. Daaruit vloeit namelijk voort welke feiten en rechten moeten worden gesteld en – indien betwist – bewezen ten grondslag van de vordering of het verweer daartegen.2 Relevant is voorts dat ter beantwoording van de vraag welke partij de bewijslast en het bewijsrisico draagt, een belangrijke rol is weggelegd voor de classificatie van het verweer van de aangesprokene. Wanneer door deze sprake is van een betwisting van de feiten die de eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, is sprake van een zogeheten bestrijdend verweer. Het is dan niet aan de aangesprokene de feiten te bewijzen die zij stelt ter motivering van haar verweer, maar ingevolge art. 150 Rv rust de bewijslast op de eiser die zich beroept op rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten. Wanneer evenwel geen sprake is van een betwisting van de door eiser aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten maar de aangesprokene zich afgezien daarvan beroept op feiten die het rechtsgevolg meebrengen dat – ondanks de eventuele juistheid van het door eiser gestelde feitencomplex – diens vordering niet kan worden toegewezen, is sprake van een zogeheten bevrijdend verweer.3 Alsdan rust ingevolge art. 150 Rv op de aangesprokene (wél) de bewijslast van de feiten die hij aan dit verweer ten grondslag legt.4 Ook valt nog op te merken dat de wetgever door het gebruik van tenzij-formuleringen doorgaans een bepaalde bewijslast beoogt: de hoofdzin in een wetsbepaling geeft de ‘hoofdregel’ waarbij de bewijslast op de eiser rust, terwijl de met een woord als ‘tenzij’ ingeleide bijzin de ‘uitzondering’ of ‘ontsnappingsclausule’ bevat waarbij de bewijslast op de verweerder rust.5