Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.3:10.3 Machtsevenwicht
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.3
10.3 Machtsevenwicht
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233618:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Bovend’Eert/Kortmann 2013, p. 8-11; Boogaard 2013, p. 64; Van der Pot/Elzinga, De Lange en Hoogers 2014, p. 642; Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2016, p. 48-49.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander belangrijk beginsel dat met de trias in verband wordt gebracht, is het beginsel van machtsevenwicht. Dit beginsel hangt nauw samen met de machtenscheiding. Aan het beginsel van het machtsevenwicht ligt de gedachte ten grondslag dat de verdeling van het staatsgezag in verschillende staatsmachten op zichzelf nog niet voldoende is om machtsconcentratie en machtsmisbruik tegen te gaan. De staatsmachten moeten elkaar ook in evenwicht houden door bevoegdheden te delen of controle uit te oefenen op elkaars bevoegdheidsuitoefening. Dit betekent onder meer dat de andere staatsmachten voor de rechter ter verantwoording moeten kunnen worden geroepen. Het beginsel van machtsevenwicht versterkt in zoverre het beginsel van de machtenscheiding en is daar een onlosmakelijk onderdeel van.1
Een political question-doctrine wringt op het eerste gezicht ook met het beginsel van machtsevenwicht. Bepalend daarvoor is dat de rechter bij toepassing van de doctrine afziet van een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Door een beoordeling achterwege te laten, ontbreekt het in zoverre aan een check op het optreden van de andere staatsmachten.
Toch behoeft ook deze gedachte nuancering. Net als de machtenscheiding is ook het beginsel van het machtsevenwicht niet absoluut. Hiervoor heb ik betoogd dat de rechter op de doctrine terugvalt wanneer hij meent dat hij een inhoudelijke beoordeling niet ‘kan’ of ‘mag’ geven omdat het ontbreekt aan concrete en bruikbare rechtsnormen of omdat het geschil moet worden geacht grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen. Het afzien van een inhoudelijke beoordeling, en daarmee van het beslechten van het geschil, kan onder die omstandigheden niet worden geacht in strijd te zijn met de machtenscheiding. De machtenscheiding noopt er in dergelijke gevallen toe dat de rechter zich afzijdig houdt. In het verlengde hiervan is verdedigbaar dat de toepassing van de doctrine evenmin in strijd kan komen met het beginsel van machtsevenwicht. Een check op het overheidsoptreden is in deze gevallen niet aangewezen.