Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.3.1
7.3.1 Inkoop aanmerkelijkbelangaandelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452935:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 november 1956, BNB 1957/20.
Aangezien inkoop van eigen aandelen juridisch niet een gedeeltelijke liquidatie is, kon blijkens HR 7 maart 1973, BNB 1973/110 en HR 14 maart 1973, BNB 1973/124 ook geen aanspraak worden gemaakt op de belastingreductieregeling van art. 59 (oud) Wet IB. In zijn arrest van 13 december 1995, BNB 1996/88 oordeelde de Hoge Raad de belastingreductieregeling van art. 59 oud) Wet IB overigens wel van toepassing met betrekking tot een kasgeldconstructie (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3). Voorts blijkt uit een Verslag van de Commissie voor de Verzoekschriften van de Tweede ^Kamer, Kamerstuknr. 19 732, nr. 175, V-N 1987. blz. 663, dat in geval van inkoop van aandelen op grond van de hardheidsclausule art. 59 (oud) Wet IB werd toegepast indien was voldaan aan de volgende voorwaarden: - over hetzelfde pakket aandelen werd tweemaal belasting geheven; - beide heffingen vonden plaats in een relatief kort tijdsbestek; - de inkoop vond plaats in verband met ernstige financiële problemen bij de financiering van de aankoop van de aandelen door de aandeelhouder. Dit beleid is in een concreet geval uitgewerkt in Infobulletin 89/72, V-N 1989. blz. 840, in welke situatie de staatssecretaris van Financiën het beroep op de hardheidsclausule afwees. Zie ook HR 2 maart 1984, BNB 1994/137, welke procedure dezelfde belastingplichtige betrof als in de publicatie in Infobulletin 89/72, V-N 1989, blz. 840. Zie ten slotte de Brief van 21 augustus 1995, nr. DB95/3136U, V-N 1995, blz. 3145, waarin de staatssecretaris van Financiën ten aanzien van dezelfde belastingplichtige als in de publicatie in Infobulletin 89/72 diens verzoek om toepassing van de hardheidsclausule ten tweede male afwees. Bij Besluit van 6 juni 1997, nr. DB97/1501M, BNB 1997/251 is de mededeling in Infobulletin 89/72, V-N 1989, blz. 840 in verband met de invoering van het nieuwe aanmerkelijkbelangregime ingetrokken.
Vgl. HR 7 juni 1972, BNB 1972/165.
HR 21 december 1977, BNB 1978/94 in welk arrest naast elkaar sprake was van inkomsten uit vermogen en een verlies uit aanmerkelijk belang. In HR 14 maart 1973, BNB 1973/124 oordeelde de Hoge Raad dat geen verlies uit aanmerkelijk belang in aanmerking kon worden genomen voor het verschil tussen het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal en de hogere verkrijgingsprijs. Zie tevens HR 21 september 1988, BNB 1988/308 en HR 19 mei 1993, BNB 1993/231.
Blijkens HR 19 mei 1993, BNB 1993/231 brengt een redelijke wetstoepassing vervolgens met zich dat bij de andere aandeelhouder(s) de verkrijgingsprijs van de aandelen wordt verhoogd met het bedrag waarvoor aanmerkelijkbelangwinst is geconstateerd, zijnde het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de inkoopprijs van de ingekochte aandelen. Zie tevens R.M. Freudenthal, Sfeerovergang van aandelen in de inkomstenbelasting, academisch proefschrift, blz. 403 e.v., Kluwer, Deventer, 1996.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 47.
In dezelfde zin H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.6.C,a, Gouda Quint. Deventer.
Ik wijs erop dat de dividendbelasting niet is aangepast aan het per 1 januari 1997 gewijzigde aanmerkelijkbelangregime, zodat op een inkoop van eigen aandelen door de vennootschap (ter amortisatie) dividendbelasting moet worden ingehouden en afgedragen over het verschil tussen de inkoopprijs en het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal. Dit is ook het geval als de aandelen behoren tot een aanmerkelijk belang. Is de (subjectieve) verkrijgingsprijs hoger dan het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal, dan wordt aldus meer dividendbelasting ingehouden en afgedragen dan materieel aan inkomstenbelasting is verschuldigd. De vraag rijst dan of dit meerdere aan dividendbelasting wel verrekenbaar is met de eventuele overige inkomstenbelasting die de belastingplichtige is verschuldigd, nu een deel van de geheven dividendbelasting geen betrekking heeft op bestanddelen van het onzuivere inkomen, zoals art. 63 Wet IB eist. Uit het antwoord op een vraag dienaangaande tijdens de parlementaire behandeling kan worden afgeleid dat de staatssecretaris van Financiën van mening is dat de gehele dividendbelasting kan worden verrekend, hetgeen eventueel tot een teruggaaf van belasting aanleiding kan geven, niettegenstaande het bepaalde in art. 63 Wet IB, Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 73 alsmede de brief van de staatssecretaris van Financiën van 21 oktober 1996, nr. WDB96/489M, V-N 1997, blz. 4272.
Zie tevens Hof Arnhem 24 april 1978, BNB 1979/204.
In deze zin H.P.A.M. van Arendonk, Inkoop van eigen aandelen, Fiscale monografie nr. 57, blz. 234 e.v.. Kluwer, Deventer, 1992; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 108, Fed, Deventer, 1995; H.J. Hofstra/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Fiscale hand- en studieboeken, nr. 2, 5e druk, blz. 526, Kluwer, Deventer, 1998; P.J. Wattel, Middellijke inkoop van eigen aandelen. Tolvrije gedachten, blz. 158-159, Kluwer, Deventer, 1980.
Memorie van toelichting Tweede Kamer. Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 47.
Dit blijkt naar mijn mening in het bijzonder uit de inkoop-a-pari-arresten HR 21 september 1988, BNB 1988/308 en HR 19 mei 1993, BNB 1993/231, in welke arresten de Hoge Raad louter ingaat op de vraag of sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst in de zin van art. 39, vijfde lid, (oud) Wet IB (het huidige art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB, zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5) en voorbij gaat aan de vraag of primair wel sprake is van een vervreemding in de zin van art. 39, eerste lid, (oud) Wet IB (het huidige art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB). Kennelijk acht de Hoge Raad dit laatste vanzelfsprekend.
In dit laatste geval wordt de inkoopprijs overigens gecorrigeerd naar de waarde in het economische verkeer, indien deze is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst (art. 20c, vierde lid, eerste volzin. Wet IB, zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5).
In het tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime vielen aandelen die anders dan als tijdelijke belegging door de vennootschap werden ingekocht onder de bron 'inkomsten uit vermogen'.1 Op grond van de rangorderegeling kon dan in zoverre niet aan de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' worden toegekomen.2 Ingevolge de bron 'inkomsten uit vermogen' werd - en voor nietaanmerkelijkbelanghouders wordt - in geval van inkoop van eigen aandelen door de vennootschap de inkoopprijs belast voor zover deze meer bedraagt dan het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal, waarna voor de aanmerkelijkbelangheffing aldus niets overbleef.3 Dit was echter anders als de inkoopprijs minder bedroeg dan de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen dan wel de waarde in het economische verkeer van de aanmerkelijkbelangaandelen; alsdan kon in zoverre nog sprake zijn van winst of verlies uit aanmerkelijk belang.4 Hieraan stond de rangorderegeling niet in de weg.5 Deze gesplitste benadering is in geval van aanmerkelijkbelangaandelen met ingang van 1 januari 1997 niet langer aan de orde (zie ook onderdeel 7.1.1 hiervoor). Ingevolge art. 20a, zesde lid, onderdeel a. Wet IB wordt het inkopen van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, aangemerkt als een vervreemding. Dit betekent dat met ingang van 1 januari 1997 inkoop van eigen (aanmerkelijkbelang)aandelen door de vennootschap louter wordt aangemerkt als een vervreemdingsvoordeel en niet langer als een (in beginsel) met de inkomsten uit vermogen corresponderend regulier voordeel.6 Dit geldt zowel voor de inkopen ter tijdelijke belegging als de inkopen ter amortisatie, zodat het onderscheid tussen inkopen ter tijdelijke belegging en inkopen ter amortisatie sedert 1 januari 1997 enkel nog een rol speelt bij de inkopen van niet tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen.7-8
Dit betekent bijvoorbeeld tevens dat HR 14 maart 1979, BNB 1979/153 voor tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen zijn belang heeft verloren. In dit arrest werd met een inkoop van eigen aandelen door de vennootschap gelijkgesteld een aankoop door een dochtermaatschappij in de mate waarin de moedermaatschappij in de dochtermaatschappij was gerechtigd.9 Aankoop door een dochtervennootschap waarin de moedermaatschappij een belang heeft van 75% was volgens dit arrest voor 75%) als een inkooptransactie te beschouwen en voor 25% als een verkooptransactie waarop eventueel de aanmerkelijkbelangregeling van toepassing was.10 Doordat inkoop van aandelen door de vennootschap voortaan als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling wordt beschouwd, speelt dit arrest in aanmerkelijkbelangsituaties niet langer een rol.
Zoals in de inleiding reeds is vermeld, moet het uitdrukkelijk als vervreemding beschouwen van het inkopen van aandelen door de vennootschap in art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB worden gezocht in het feit dat op deze wijze een meer subjectieve invulling van de belastingheffing mogelijk is geworden. Doordat het inkopen van eigen aandelen door de vennootschap bij fictie als een vervreemding wordt beschouwd, vindt de belastingheffing plaats volgens het regime van de vervreemdingsvoordelen van art. 20c Wet IB (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.2), waarvoor steeds de (subjectieve) verkrijgingsprijs als uitgangspunt geldt en niet langer het (objectieve) gestorte kapitaal. In deze zin ook de memorie van toelichting, alwaar wordt opgemerkt: 'Zonder uitdrukkelijke bepaling zou het voordeel dat wordt behaald bij een inkoop van aandelen vallen onder de reguliere voordelen, evenals dat thans valt onder de zuivere inkomsten uit vermogen die worden belast naar het tabeltarief. Om dit te voorkomen is de inkoop van aandelen uitdrukkelijk als een vervreemding aangemerkt.'11
Dat een inkoop van aandelen reeds een vervreemding is voor de aanmerkelijkbelangregeling in de zin van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB, staat mijns inziens niet ter discussie.12 Hierbij is irrelevant of de inkoop plaatsvindt van een enig aandeelhouder dan wel van alle aandeelhouders gezamenlijk overeenkomstig ieders aandelenbezit. Voorts is irrelevant of de inkoop geschiedt tegen de werkelijke waarde van de aandelen dan wel voor minder dan de werkelijke waarde van de aandelen.13 In al deze genoemde situaties moet de inkoop van aandelen worden gekwalificeerd als een vervreemding volgens de hoofdregel van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB. Veelal ging in geval van inkoop van eigen aandelen door de vennootschap onder het oude aandelenregime op grond van de rangorderegeling de bron 'inkomsten uit vermogen' voor, zodat aan de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' niet werd toegekomen, maar dit doet aan het uitgangspunt dat een inkoop in beginsel tevens een vervreemding is in de zin van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB (art. 39, eerste lid, (oud) Wet IB) niet af. In die zin was opname in art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB van de inkoop van aandelen dan ook niet noodzakelijk. Art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB stelt alleen helder dat de belastingheffing geschiedt volgens het volledig subjectieve regime van de vervreemdingsvoordelen van art. 20c Wet IB en niet volgens het deels objectieve regime van de reguliere voordelen.