Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/6.5.1
6.5.1 Inleiding D Group-Schreurs
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS304853:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 22 november 1995, NJkort 1996, 25. Vgl. Lennarts 2001, p. 179-188.
Vgl. Tollenaar 2009, nr. 6, p. 181.
Te weten: Rechtbank Amsterdam 22 november 1995, NJkort 1996, 25; Rechtbank Rotterdam 4 mei 2005, NJF 2005, 280 en Rechtbank Zutphen 15 november 2006, LJ AZ6027.
Brandsma 2011, p. 232.
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 5 december 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY5580 (mr. Jansberg q.q./Leduc Investments).
R.o. 4.14.
Lennarts 2001, par. 15.
Struycken 1981, met name p. 599.
Struycken 1981, p. 599-601 spreekt in dit kader van het incorporatierecht. Frankrijk kent echter de leer van de werkelijke zetel (siège rÉel). Zie ook: Vlas 1982, p. 120 en Van Daal 1998, p. 170-171.
Van Daal 1998, p. 171. Vgl. ook Lennarts 1999, p. 336 en Lennarts 2001, p. 8.
Vóór het arrest D Group-Schreurs werd in de jurisprudentie niet of nauwelijks inhoudelijk ingegaan op art. 2:11 BW.
In een zaak uit 1995 van de Rechtbank Amsterdam had de curator van een in Nederland in staat van faillissement verklaarde B.V. tegen de Duitse eerstegraads rechtspersoon-bestuurder en de Duitse tweedegraads bestuurder een vordering ingesteld ex artt. 2:248 jo. 2:11 BW.1 Inhoudelijk ging de rechtbank echter niet in op de vordering van de curator.2
Brandsma gaat in op drie rechtbank-uitspraken.3 Brandsma merkt op dat art. 2:11 BW geen rol speelde in deze vonnissen, maar dat daarin wel bevestigd wordt dat Nederlands recht niet kan inbreken in de relatie tussen een buitenlandse rechtspersoon en diens bestuurder.4
In een in 2012 aan de Rechtbank ’s-Hertogenbosch5 voorgelegde kwestie was het volgende aan de orde. Boswerk B.V. (“Boswerk”) is op 27 juli 2005 in staat van faillissement verklaard. Boswerk is opgericht door de vennootschap naar Belgisch recht Leduc Investments N.V. (“Leduc”), die enig aandeelhouder was. Tot en met 2 mei 2005 was Leduc tevens zelfstandig bestuurder van Boswerk. Afgevaardigd bestuurder en voorzitter van de raad van bestuur van Leduc is gedaagde sub 2, een natuurlijk persoon. De curator stelde een vordering in strekkende tot hoofdelijke veroordeling van de gedaagden ex art. 2:248 BW tot betaling van het tekort in het faillissement van Boswerk. Wat betreft gedaagde sub 2 baseert de curator de aansprakelijkheid op artt. 2:248 jo. 2:11 BW, subsidiair op art. 2:248 lid 7 BW. De rechtbank overweegt dat de curator stelt dat gedaagde sub 2 als bestuurder van Leduc op grond van art. 2:11 BW aansprakelijk is voor het onbehoorlijk bestuur van Leduc bij Boswerk. Gedaagde sub 2 stelt – zo vervolgt de rechtbank – dat dit niet het geval is omdat art. 2:11 BW niet van toepassing zou zijn op een Belgische vennootschap die het bestuur over een Nederlandse vennootschap voert. Dat kan in het midden blijven – aldus de rechtbank – nu gedaagde sub 2 hoe dan ook tevens als (mede-)beleidsbepaler in de zin van art. 2:248 lid 7 BW is aan te merken.6 De rechtbank komt derhalve niet toe aan de vraag of – en zo ja, in hoeverre – art. 2:11 BW toepasselijk is in het geschetste geval.
Evenmin bestond in de literatuur duidelijkheid omtrent de reikwijdte van art. 2:11 BW. Lennarts stelt de vraag aan de orde of art. 2:11 BW van toepassing is indien een in staat van faillissement verklaarde Nederlandse vennootschap wordt bestuurd door een buitenlandse rechtspersoon.7 Zij verwijst op haar beurt naar Struycken die het voorbeeld geeft van een Nederlandse B.V. die wordt bestuurd door een Franse s.a.r.l.8 Tegen toepassing van art. 2:11 BW op de buitenlandse rechtspersoon-bestuurder pleit volgens Struycken dat het Nederlandse recht aldus zou inbreken in de – door het Franse recht beheerste – verhouding tussen de Franse vennootschap en haar bestuurders.9 Vóór toepassing van art. 2:11 BW op de buitenlandse rechtspersoon-bestuurder pleit dat voorkomen dient te worden dat art. 2:11 BW kan worden ontgaan door de tus-senschakeling van een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder.10