Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.3.3
3.4.3.3 IVBPR en HRC
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS466903:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
General Comment nr. 13 [21], adopted on 14 april 1984, onderdeel 3.
General Comment nr. 32 [90], adopted on 24 july 2007.
Communication No. 263/1987, Gonzales del Rio v. Peru, para. 5.2 (General Comment nr. 32 [90], onderdeel 19).
General Comment nr. 32 [90], onderdeel 20.
Communication No. 468/1991, Oló Bahamonde v. Equatorial Guinea, para. 9.4 (General Comment nr. 32 [90], onderdeel 19).
Communication No. 387/1989, Karttunen v. Finland, para. 7.2 (General Comment nr. 32 [90], onderdeel 21).
Uit de tekst van artikel 14 lid 1, IVBPR volgt onder meer dat een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Het HRC heeft in zijn algemene commentaren een nadere invulling gegeven van de begrippen onafhankelijkheid en onpartijdigheid en geeft daarbij tevens aan welke maatregelen staten zouden moeten nemen om dit te waarborgen. De volgende passage is ontleend aan een General Comment uit 1984:
“[…] In particular, States parties should specify the relevant constitutional and legislative texts which provide for the establishment of the courts and ensure that they are independent, impartial and competent, in particular with regard to the manner in which judges are appointed, the qualifications for appointment, and the duration of their terms of office; the conditions governing promotion, transfer and cessation of their functions and the actual independence of the judiciary from the executive branche and the legislature.”1
Het HRC verlangt dus dat staten in hun (grond)wetten de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht borgen door regels te stellen ten aanzien van de functie van rechter, zoals de procedure, eisen en termijn voor wat betreft de aanstelling en regels met betrekking tot de bevordering, overplaatsing en functiebeëindiging. Deze eisen lijken te zien op de arbeidsrechtelijke verhouding tussen de rechter als werknemer en zijn werkgever. Daarnaast wijst het HRC ook op de positie van de rechter binnen de traditionele driehoek (trias): staten moeten waarborgen dat de rechters feitelijk onafhankelijk kunnen opereren ten opzichte van de uitvoerende en wetgevende macht.
De uitleg van het HRC in het General Comment uit 1984 ziet naar mijn mening met name op de onafhankelijkheid van de rechter, maar het geeft vervolgens nog geen inzicht in (de reikwijdte van) het onpartijdigheidsbeginsel en hoe de onafhankelijkheid zich verhoudt tot de onpartijdigheid.
In een recenter General Comment, namelijk uit 2007, wordt het eerdere General Comment uit 1984 aangevuld naar aanleiding van jurisprudentie van het HRC ten aanzien van de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid.2 Allereerst wordt het recht op een onafhankelijke en onpartijdige berechting veel sterker dan voorheen geduid als een ‘absolute right that is not subject to any exception’.3 Vervolgens worden de eerdere inzichten met betrekking tot de arbeidsrechtelijke onafhankelijkheid nader uitgewerkt, zoals ontslag en functieontheffing.4 Ook wordt meer aandacht besteed aan de onafhankelijkheid van de rechter ten opzichte van de uitvoerende en wetgevende macht; vooral de functiescheiding tussen de rechter en de uitvoering wordt scherper verwoord:
“A situation where the functions and competencies of the judiciary and the executive are not clearly distinguishable or where the latter is able to control or direct the former is incompatible with the notion of an independent tribunal.”5
Het onpartijdigheidsaspect wordt door het HRC in het General Comment uit 2007 ook uitgebreider onder de loep genomen. Het HRC onderkent een tweetal aspecten van het onpartijdigheidsbeginsel:
“The requirement of impartiality has two aspects. First, judges must not allow their judgement to be influenced by personal bias or prejudice, nor harbour preconceptions about the particular case before them, nor act in ways that improperly promote the interests of one of the parties to the detriment of the other. […] Second, the tribunal must also appear to a reasonable observer to be impartial. For instance, a trial substantially affected by the participation of a judge who, under domestic statutes, should have been disqualified cannot normally be considered to be impartial.”6
Het eerste, subjectieve aspect ziet op de houding en het gedrag van de rechter zelf; het tweede, objectieve aspect gaat over de uiterlijke schijn (‘appear’) van onpartijdig heid zoals die door een ‘reasonable observer’ kan worden waargenomen. Deze dubbele toets wordt eveneens door het EHRM aangelegd.