Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.3.4:3.4.3.4 Europees Handvest en Hof van Justitie
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.3.4
3.4.3.4 Europees Handvest en Hof van Justitie
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462070:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Algemeen
Op 1 december 2009 is het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) in werking getreden. Dit Handvest heeft de juridische status van een verdrag en bevat een grondrechtencatalogus waarop belanghebbenden zich in voorkomende gevallen rechtstreeks kunnen beroepen, ook in bestuursrechtelijk verband.1
Het Handvest is van toepassing op het handelen van lidstaten wanneer het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht (artikel 51, lid 1 Handvest). Voor de fiscaliteit betekent dit dat het Handvest aan de orde kan komen als de heffing of inning voortvloeit of verband houdt met EU-regelgeving – zoals de omzetbelasting die geheven wordt op grond van de BTW-richtlijn – of als de heffing of inning in strijd is met een van de vrijheden van de Europese Unie, bijvoorbeeld het vrij verkeer van kapitaal.2
Enige tijd was onduidelijk of fiscale bestuurlijke boeten die bijvoorbeeld bij de heffing van omzetbelasting werden opgelegd, onder de reikwijdte van het Handvest vielen. In de zaak Åkerberg Fransson, alwaar het een btw-fraudezaak betrof waarin zowel fiscale bestuurlijke boeten waren opgelegd als strafrechtelijke vervolging was ingesteld, heeft het Hof van Justitie deze vraag positief beantwoord en als volgt geoordeeld:
“Bovendien moeten de lidstaten volgens artikel 325 VWEU onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad bestrijden met maatregelen die afschrikkend werken en doeltreffend zijn, en moeten zij in het bijzonder ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad […]. De eigen middelen van de Unie omvatten […] met name de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens voorschriften van de Unie, zodat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de inning van de btw-ontvangsten met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige btw-middelen van de begroting van de Unie, aangezien elk mankement in de inning van de btw-ontvangsten potentieel tot verlaging van de btw-middelen van de Unie leidt […].
[…] Bijgevolg wordt met belastingboeten en strafvervolging wegens belastingfraude, zoals die waarvan de verdachte in het hoofdgeding het voorwerp is of is geweest wegens verstrekking van onjuiste inlichtingen op btw-gebied, uitvoering gegeven aan de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112 […] en artikel 325 VWEU, en dus aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.”3
Kortom, fiscale bestuurlijke boeten en strafrechtelijke vervolging vallen dus onder het bereik van het Handvest, voor zover deze bijdragen aan de bestrijding van fraude met belastingen die geheven worden in verband met het EU-recht.
Verhouding tot het EVRM
Het Handvest vertoont voor een deel overlap met de bepalingen van het EVRM. Artikel 52, lid 3 van het Handvest bepaalt daarover het volgende:
“Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend.”
Als dus sprake is van zogenoemde corresponderende bepalingen, dan is er geen verschil tussen het Europees Handvest en het EVRM voor wat betreft de werking van die bepalingen.
Onpartijdig bestuurlijk handelen: artikel 41 Handvest
Anders dan artikel 6 van het EVRM – dat zich in hoofdzaak richt op het normeren van de gerechtelijke procedure – kent het Europees Handvest ook bepalingen die beginselen formuleren voor (voorafgaand) bestuurlijk handelen. Deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn vervat in artikel 41 Handvest en hebben onder meer betrekking op de onpartijdigheid van het bestuur (artikel 41, lid 1 Handvest).
Het Hof van Justitie heeft zich enkele malen uitgelaten over het bestuurlijke onpartijdigheidsbeginsel in relatie tot bestuurlijke beboeting. Daarbij maakt het hof – net als het EHRM en het HRC ten aanzien van de gerechtelijke instantie – een onderscheid tussen de subjectieve en objectieve onpartijdigheid van het bestuur:
“Wat in de tweede plaats de gestelde schending van het grondrecht op een eerlijk proces en van het beginsel van behoorlijk bestuur betreft, dient eraan te worden herinnerd dat de Commissie weliswaar niet kan worden aangemerkt als een “rechterlijke instantie” in de zin van artikel 6 EVRM […], maar dit niet wegneemt dat zij de grondrechten van de Unie, waaronder het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur, moet eerbiedigen tijdens de administratieve procedure. In het bijzonder regelt artikel 41, en niet artikel 47 van het Handvest, de administratieve procedure inzake mededingingsregelingen voor de Commissie […].
Volgens de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest heeft eenieder er onder meer recht op dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen van de Unie worden behandeld. Dit vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, in die zin dat geen lid van de betrokken instelling die belast is met de zaak, blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en anderzijds de objectieve onpartijdigheid in de zin dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel dienaangaande uit te sluiten […].”4
Uit bovenstaande passage kan geconcludeerd worden dat het bestuurlijke onpartijdigheidsbeginsel van het Handvest in principe dezelfde structuur lijkt te hebben als het gerechtelijke onpartijdigheidsbeginsel, met dien verstande dat de bestuur lijke onpartijdigheid niet mede gebaseerd kan worden op de onafhankelijkheid van het bestuur.
Onafhankelijk en onpartijdig gerecht: artikel 47 Handvest
Het tweede lid van artikel 47 Handvest bepaalt onder meer dat eenieder recht heeft op behandeling van zijn rechtszaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Deze bepaling correspondeert volgens de toelichting op deze bepaling met het eerste lid van artikel 6 EVRM. Inhoud en reikwijdte van deze bepalingen zijn dus hetzelfde.