Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.2.2:2.2.2 De andere voorstellen voor berekening van de duur en de koppeling aan het arbeidsverleden
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.2.2
2.2.2 De andere voorstellen voor berekening van de duur en de koppeling aan het arbeidsverleden
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258989:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 1 januari 2005 houdende wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de vervanging van fictief arbeidsverleden door feitelijk arbeidsverleden en de beperking van het verzorgingsforfait, Stb. 2004, 594; Kamerstukken 2004/05, 29249.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de parlementaire behandeling waren ook andere manieren onderzocht om de duur te berekenen. In de memorie van toelichting was in eerste instantie de leeftijd van de werknemer gecombineerd met een arbeidsverledeneis van drie jaar in de vijf jaar voorafgaand aan de werkloosheid (3-uit-5-jareneis) als uitgangspunt voor de uitkeringsduur gekozen. Betrouwbare gegevens over de in het verleden liggende arbeidsperioden waren in 1987 niet te achterhalen; een (van overheidswege) sluitende registratie van het arbeidsverleden was er niet.1 Daarom werd een leeftijdscriterium (vanaf 23 jaar) voorgesteld in alle gevallen waar de uitkeringsgerechtigde een arbeidsverleden van meer dan vijf jaar had. Enkel een leeftijdscriterium hanteren voor recht op een WW-uitkering zou echter veel ruimere aanspraken geven, omdat men kon beslissen op latere leeftijd te gaan werken, maar alsnog evenveel van de voordelen van een dergelijk criterium zou kunnen genieten als een werknemer die op een eerdere leeftijd was begonnen met werken. Dat uitgangspunt, enkel een leeftijdscriterium, is daarom later gewijzigd door het systeem van een feitelijk en fictief arbeidsverleden.2 De duur van de WW-uitkering werd daarmee afhankelijk van het feitelijke arbeidsverleden, voor zover aantoonbaar door de werknemer, en het fictieve arbeidsverleden, dat evenwel afhankelijk was van de leeftijd van de werkloze. Vanwege het ontbreken van een sluitende registratie van het arbeidsverleden van de beroepsbevolking werd noodgedwongen voor deze mengvorm van criteria gekozen.3
Nog een voorstel om de registratieproblemen te omzeilen was dat de uitkeringsgerechtigde zelf gegevens zou verstrekken omtrent het arbeidsverleden op basis waarvan het arbeidsverleden en de verlengde duur zouden worden bepaald. Dit voorstel heeft het om twee redenen niet gehaald; ten eerste omdat de werknemer ‘gewantrouwd’ werd en daarnaast om de werknemer rechtsbescherming te bieden.4 Het wantrouwen lag in het feit dat de verstrekking van de gegevens door de uitkeringsgerechtigde misbruik- en fraudegevoelig is en dat daarom een zekere mate van controle op de juistheid van de gegevens zou moeten plaatsvinden. Die controle zou door het uitvoeringsorgaan, destijds de bedrijfsvereniging, moeten worden gedaan en een onderzoek naar dit totale arbeidsverleden, zo dit al mogelijk zou zijn voor gegevens die ver in het verleden liggen, zou veel speurwerk (en daarmee kosten) met zich meebrengen.5 Een dergelijk individueel onderzoek naar het arbeidsverleden zou ook een spoedige vaststelling van het uitkeringsrecht (en nog belangrijker de spoedige betaling aan de werkloze) zeer zeker belemmeren. Ook zou het zelf verstrekken van gegevens ertoe leiden dat er sprake zou zijn van een ongelijke rechtsbedeling. Immers, werknemers die een betere administratie erop nahouden of werken bij werkgevers die een dergelijke administratie hebben, hebben een voordeel ten opzichte van werknemers die dit niet hebben (gedaan). Het systeem van de verlengde duur zou dan willekeurig kunnen worden. Er is daarom overwogen dat de uitvoeringsorganen voor de vaststelling van het feitelijke arbeidsverleden (vijf jaar voorafgaand de werkloosheid) geen initiatief hoeven te ontplooien. In de parlementaire overwegingen komt naar voren dat de werknemer aan de hand van in zijn bezit zijnde stukken en dergelijke zijn arbeidsverleden dient te reconstrueren en deze gegevens aan de bedrijfsvereniging ter beschikking dient te stellen.6
Beide voorstellen, het leeftijdscriterium en de verzekerde zelf informatie over het arbeidsverleden laten verstrekken, zijn later dus vervangen door het systeem van een feitelijk en fictief arbeidsverleden (arbeidsverleden vanaf het 18e jaar tot vijf jaar voorafgaand de werkloosheid). Het kabinet heeft daarbij aangegeven dat op een later tijdstip een sociaal verzekeringsnummer zal worden ingevoerd zodat de bedrijfsverenigingen een verzekerdenregistratie konden opbouwen. Met het systeem van een sociaal verzekeringsnummer zou spoedig kunnen worden overgestapt naar een volledige koppeling met het arbeidsverleden voor de berekening van de duur van het recht op de WW.7
Per 1 januari 20058 is de WW gewijzigd in verband met die wens van het kabinet om het fictieve arbeidsverleden volledig door een feitelijk arbeidsverleden te vervangen. Het arbeidsverleden wordt sindsdien vastgesteld door samentelling van het aantal kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen vanaf 1998 tot en met 2012 of 208 of meer uren per jaar vanaf 2013 tot en met het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen (feitelijk arbeidsverleden) en het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot aan 1998 (fictief arbeidsverleden). Door deze berekening zal het feitelijk arbeidsverleden vanaf 2040 bepalend zijn voor de duur van de WW-uitkering.9