Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.2.4:2.2.4 De voorzienbaarheidseis van art 1283 (oud) BW en de verhouding tot 1284 (oud) BW
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.2.4
2.2.4 De voorzienbaarheidseis van art 1283 (oud) BW en de verhouding tot 1284 (oud) BW
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS589786:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
43. Hoe lieten de door art. 1283 en 1284 (oud) BW aangebrachte begrenzingen zich rechtvaardigen en hoe verhielden zij zich tot elkaar? De reden om in het geval van tekortschieten in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst de schadevergoedingsverplichting te beperken tot schade die voorzien was of had kunnen worden voorzien, vloeide volgens Pothier voort uit de (veronderstelde) bedoeling van de contractsluitende partijen: niet kon worden aangenomen dat zij zich ook hadden willen binden aan onvoorziene rechtsgevolgen. Deze gedachtegang sloot minder goed aan bij het in ons burgerlijk wetboek gegeneraliseerde art. 1283 (oud) BW: niet dadelijk viel in te zien waarom een dergelijke beperking ook aangenomen zou dienen te worden bij de niet-nakoming van een verbintenis die niet uit een overeenkomst voortvloeide. Opzoomer en Diephuis wezen Pothiers gedachtegang bovendien unaniem geheel af. Opzoomer schreef:
“Dat de schuldenaar, die zijn verbintenis niet gestand doet, tot schadevergoeding verplicht is, schijnt mij geen uitvloeisel van ‘une clause tacite de la convention’, maar daarvan alleen, dat er schade geleden is en dat hij daarvan de oorzaak moet heeten. (…) Alleen in zijn causaliteit van de schade, niet in enig stilzwijgend contract, ligt dus van die verplichting de grond, en het is dan ook, zoo maar die causaliteit bestaan kan, onverschillig, of de verbintenis, waartegen is gehandeld ten nadeele van den schuldeischer, aan een overeenkomst of aan de wet is ontleend.”1
Ofschoon deze auteurs niets in Pothiers rationalisering zagen, waren zij niet in staat de voorzienbaarheidseis van art. 1283 (oud) BW op andere wijze te verklaren. Opzoomer was daarover helder: als hem zou worden gevraagd de beperking te verklaren
“(…) dan weet ik op die vraag geen voldoend antwoord te geven (…) Ik zou slechts kunnen wijzen op die neiging tot zachtheid tegenover den niet arglistigen schuldenaar”.2
Ook C. Asser schreef begin twintigste eeuw dat het
“(…) moeilijk [is] de beperkende bepaling van art. 1283 B.W. (…) voldoende te rechtvaardigen”.3
44. De beperking van art. 1284 (oud) BW in het geval van arglistige niet-nakoming tot schade die het “onmiddellijk en dadelijk gevolg” van die niet-nakoming is, werd door Opzoomer, Land en Diephuis begrepen als een soort causaliteitseis. Door deze interpretatie kon, zoals hiervoor beschreven, ook in het geval van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad de voorwaarde worden gesteld dat de schade een rechtstreeks gevolg van de daad is. Ook lag bij deze interpretatie voor de hand de beperking van art. 1284 (oud) BW evenzeer te stellen in het geval van ongekwalificeerde niet-nakoming. Naar heersende opvatting diende inderdaad het samenspel van art. 1283 en 1284 (oud) BW zodanig begrepen te worden dat in het geval van een ongekwalificeerde niet-nakoming een dubbele beperking gold:4 tot de schade die men ten tijde van het aangaan van de verbintenis heeft voorzien of heeft kunnen voorzien én tot schade die kan gelden als onmiddellijk en dadelijk gevolg van de niet-nakoming.