De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.7:4.7 Conclusie
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.7
4.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232251:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is een aantal aspecten uit het rechtspersonenrecht aan de orde geweest waarbij de belangrijkste invalshoek de vraag was of die voor de bij leven opgerichte stichting onverkort van toepassing zijn op de bij dode opgerichte stichting. Nu is het tijd voor een conclusie.
De voor de bij dode opgerichte stichting geldende regels uit het rechtspersonenrecht wijken niet af van die voor de ‘gewone’ stichting. Sterker, de bij dode opgerichte stichting is een gewone stichting die een naar huidige begrippen op een bijzondere wijze wordt opgericht. De wijze van oprichting brengt slechts zeer beperkt problemen met zich mee. In 4.2 bleek dat op grond van de wet de notaris verantwoordelijk is voor het opnemen van een aantal essentialia in de statuten (artikel 2:286 lid 4 BW). Het tijdstip waarop de oprichtingsakte (de uiterste wil) wordt verleden, kan ver voor het oprichtingstijdstip liggen. De notaris kan niet verweten worden dat hij niet voldaan heeft aan later eventueel opgekomen wettelijke eisen. Beoordeling van de aansprakelijkheid van de notaris naar het tijdstip van overlijden is daardoor ongepast. De verantwoordelijkheid van de notaris dient dan ook te worden beoordeeld naar het tijdstip van het opmaken van de uiterste wil.
In 4.3 kwam een aantal onderwerpen aan de orde dat betrekking heeft op de inhoud van de statuten. Besproken zijn het doel, de bestemming van het vereffeningsoverschot en de benoeming van bestuurders. Deze onderwerpen leiden niet tot rechtsvragen maar vereisen wel dat zorgvuldig nagedacht moet worden over het doel en de werkwijze van de bij dode opgerichte stichting en de verdere invulling van de statuten.
De vraag of statutenwijziging mogelijk is, kwam aan de orde in 4.4. Daar bleek dat statutenwijziging slechts mogelijk is als de statuten daar zelf in voorzien. Als de stichting vermogen uit de nalatenschap verkrijgt is de mogelijkheid van statutenwijziging een absolute noodzaak. Het bestaan tot ver in de toekomst brengt met zich dat de statuten te eniger tijd niet meer zullen voldoen. Al bij het opmaken van de uiterste wil dient hierop geanticipeerd te worden. Als de erflater hier niet in mee wil gaan, ligt het risico daarvoor bij de stichting.
Bij het bestuderen van de Duitse en Belgische regeling ten aanzien van de inhoud van de statuten en de mogelijkheid tot wijziging daarvan in 4.4.1.2 en 4.4.1.3, bleek dat de situatie in Duitsland en België sterke overeenkomsten vertoont met die in Nederland. Dit vloeit voort uit een belangrijk gemeenschappelijk uitgangspunt van de regeling van de stichting in deze landen: de wil van de oprichter. Het is de oprichter die het karakter en het doel van de stichting bepaalt. Het meest in het oog springende aspect is daarbij de hoofdregel dat statutenwijziging onmogelijk is als de oprichter daar niet in heeft voorzien. Maar zelfs als de oprichter wel heeft voorzien in de mogelijkheid tot statutenwijziging, mag hier slechts terughoudend gebruik van worden gemaakt.
In 4.5 is gebleken dat de bestuursonbevoegdheid uit artikel 2:291 lid 2 BW op zichzelf bezien voor de bij dode opgerichte stichting niet leidt tot principiële vragen. Wel is ook hier gebleken dat een doordachte regeling van groot belang is om onverwachte (praktische) problemen te voorkomen.
Bij de mogelijkheden tot ontbinding van de bij dode opgerichte stichting is in 4.6 geconstateerd dat (ook) hier tussen de bij dode opgerichte stichting en de gewone stichting geen verschillen zijn aan te wijzen, met uitzondering van artikel 2:21 lid 1 letter a BW, en wel specifiek ten aanzien van de vernietigbaarheid van de oprichtingshandeling bij strijd met de openbare orde of de goede zeden. Bij strijd met de openbare orde of goede zeden komen wij niet toe aan deze ontbindingsgrond. De reden is dat artikel 4:44 BW voorkomt dat de stichting wordt opgericht als de uiterste wilsbeschikking tot oprichting in strijd is met de openbare orde of goede zeden. Omdat bij strijd met de openbare orde of goede zeden van de uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting, de stichting nietig is, is ontbinding op grond van artikel 2:21 lid 1letter a BW niet aan de orde. Dit komt mij voor als een onbelangrijk onderscheid tussen de bij dode en de onder de levenden opgerichte stichting.