Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/3.2.4.3.2
3.2.4.3.2 Hoofdelijke aansprakelijkheid
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931081:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De richtlijn heeft als doel om de publiekrechtelijke handhaving en de privaatrechtelijke handhaving op elkaar af te stemmen, en de privaatrechtelijke handhaving verder te ontwikkelen. Zie Richtlijn 2014/104/EU, considerans, nr. 6.
HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2014:2443, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda (CDC Hydrogen Peroxide/Akzo Nobel c.s.), r.o. 21.
Deze richtlijn trad eind 2014 in werking en moest uiterlijk 27 december 2016 in het nationale recht van de lidstaten zijn geïmplementeerd (zie Richtlijn 2014/104/EU, art. 23 resp. 21).
Zie hierna, nr. 59 e.v.
Richtlijn 2014/104/EU, considerans, nr. 37.
Nr. 59.
HvJEU 16 februari 2023, C-321/21, ECLI:EU:C:2023:99 (Tráficos Manuel Ferrer), r.o. 61.
HvJEU 29 juli 2019, C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635, NJ 2019/342; JBPr 2019/54, m.nt. D.F.H. Stein (Tibor-Trans/DAF), r.o. 36.
Het ging om de vraag of de Hongaarse rechter als ‘forum loci damni’ (art. 7 sub 2 Brussel I-bis) rechtsmacht had over de door Tibor-Trans tegen DAF ingestelde schadevergoedingsvordering. Daarnaast ging het in deze zaak om de mogelijke aansprakelijkheid van DAF jegens Tibor-Trans, met wie DAF zelf geen zaken heeft gedaan, zodat het (naar alle waarschijnlijkheid) een vordering tot vergoeding van parapluschade betreft, zie Stein 2019b/2. Dat is mogelijk relevant, omdat het voor parapluschade wellicht eerder voor de hand ligt om hoofdelijke aansprakelijkheid aan te nemen dan voor schade als gevolg van verkopen door een inbreukpleger.
HvJEU 29 juli 2019, C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635, NJ 2019/342; JBPr 2019/54, m.nt. D.F.H. Stein (Tibor-Trans/DAF), aanhef.
HvJEU 16 februari 2023, C-321/21, ECLI:EU:C:2023:99 (Tráficos Manuel Ferrer).
HvJEU 10 november 2022, C-163/21, ECLI:EU:C:2022:863 (Paccar), r.o. 59.
HvJEU 16 februari 2023, C-321/21, ECLI:EU:C:2023:99 (Tráficos Manuel Ferrer), r.o. 60.
HvJEU 16 februari 2023, C-321/21, ECLI:EU:C:2023:99 (Tráficos Manuel Ferrer), r.o. 60.
HvJEU 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317, NJ 2014/424, m.nt. M.R. Mok (Kone) en HvJEU 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, NJ 2013/168, m.nt. M.R. Mok (Otis).
Conclusie A-G Kokott (ECLI:EU:C:2022:712) voor HvJEU 16 februari 2023 C-321/21, ECLI:EU:C:2023:99 (Tráficos Manuel Ferrer), nr. 102.
Zie daarover Hoofdstuk 2, par. 2.4.
Richtlijn 2014/104/EU, art. 11 lid 5 en 6 resp. art. 19.
Zie voor een bespreking van het Nederlandse recht op dit punt Hoofdstuk 4, par. 4.2.2 en par. 4.4.2.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 44.
Nr. 62-64.
Deze richtlijn trad eind 2014 in werking, zie Richtlijn 2014/104/EU, art. 23.
Vgl. Cornelissen, Van Uden & Hoogervorst 2019, p. 62 e.v.
Zie hiervoor, nr. 48.
Zie hiervoor, nr. 53.
Zie hiervoor, nr. 51. Zie voor een geval waarin de boete niettemin tot een faillissement leidde HvJEU 28 april 2022, ECLI:EU:C:2022:321, NJ 2022/272, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2022/219, m.nt. L.G. Verburg (Heiploeg/FNV).
Een ‘kleine onderneming’ is “een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt”, zie Aanbeveling kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, art. 2 lid 2. Een ‘middelgrote onderneming’ kent meer werkzame personen en een hogere jaaromzet of jaarlijks balanstotaal, zij het dat daar “minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt”, zie Aanbeveling kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, art. 2 lid 1.
Zie Richtlijn 2014/104/EU, art. 14.
De directe afnemer heeft in zoverre dan geen recht meer op vergoeding van een door hem betaalde meerprijs, omdat iedere euro die als meerprijs is betaald maar eenmaal als schade kan kwalificeren: ofwel zij is ten laste van de directe afnemer gebleven, en dan lijdt de indirecte afnemer in zoverre geen schade, ofwel zij is doorberekend, in welk geval de directe afnemer in zoverre niet langer vergoeding kan vorderen van de betaalde meerprijs. Wel is denkbaar dat de directe afnemer door de door hem verhoogde prijzen minder afzet heeft gehad, zodat hij ‘volume-schade’ lijdt (zie hiervoor, nr. 57).
Nr. 62.
Zie de Mededeling boete-immuniteit.
Zo moet de inbreuk door deze onderneming zijn beëindigd, zie de Mededeling boete-immuniteit, nr. 12(b).
Mededeling boete-immuniteit, nr. 8-13.
https://ec.europa.eu/competition-policy/cartels/leniency_en (laatstelijk geraadpleegd op 1 april 2023).
Zie hiervoor, nr. 57.
Richtlijn 2014/104/EU, considerans, nr. 38. Zie ook reeds het COM(2013) 404 final, p. 19 (Toelichting).
Nr. 62.
Van Boom 2016a, p. 224-225; Van Boom 2016b, p. 951; Bauermeister 2021, p. 177-185.
Vgl. mogelijk in andere zin Bauermeister 2021, p. 165 e.v.
Richtlijn 2014/104/EU, art. 11 lid 2, over de inbreukpleger die aan de vereisten van deze bepaling voldoet: “Member States shall ensure that (…) the infringer is liable only to its own direct and indirect purchasers”, “les États membres veillent à ce que (…) il n’est responsable qu’à l’égard de ses propres acheteurs directs et indirects lorsque (…)”, “die Mitgliedstaaten [gewährleisten] (…) dass (…) dieser nur gegenüber seinen unmittelbaren und mittelbaren Abnehmern hafte”, “gli Stati membri provvedono affinché (…) l’autore della violazione sia responsabile solo nei confronti dei propri acquirenti diretti ed indiretti”, en “los Estados miembros velarán por que (…) el infractor solo sea responsable ante sus propios compradores directos e indirectos”.
Richtlijn 2014/104/EU, art. 11 lid 4: “Member States shall ensure that an immunity recipient is jointly and severally liable as follows: (a) to its direct or indirect purchasers or providers”, “les États membres veillent à ce que les bénéficiaires d’une immunité soient solidairement responsables du préjudice comme suit: a) à l’égard de leurs acheteurs ou fournisseurs directs ou indirects”, “die Mitgliedstaaten [gewährleisten], dass ein Kronzeuge gesamtschuldnerisch haftbar ist: a) gegenüber seinen unmittelbaren oder mittelbaren Abnehmern oder Lieferanten”, “gli Stati membri provvedono affinché il beneficiario dell’immunità sia responsabile in solido: a) nei confronti dei suoi acquirenti o fornitori diretti o indiretti”, en “los Estados miembros velarán por que un beneficiario de clemencia sea responsable conjunta y solidariamente: a) ante sus compradores o proveedores directos o indirectos”.
Ik spreek kortheidshalve van het afnemen van een product, maar voor de volledigheid merk ik op dat het dan uiteraard wel moet gaan om een product op de relevante productmarkt, afgenomen tijdens een periode waarin de markt door de inbreuk werd beïnvloed.
Zie hiervoor, nr. 57.
Bauermeister 2021, p. 164-177 en p. 276-283.
Bauermeister 2021, p. 164-177.
COM(2008) 165 final, p. 4.
COM(2013) 404 final, p. 30-31.
Bauermeister 2021, p. 177.
Bauermeister 2021, p. 276-280. Zie daarover hiervoor, nr. 62.
Richtlijn 2014/104/EU, considerans, nr. 48 en 51.
Zie hiervoor, nr. 57.
Zie de hiervoor, in nr. 60 en 61, besproken uitzonderingen.
Zie in andere zin voor ‘parapluschade’ Van de Moosdijk 2019/1.3.5.
Verordening (EG) nr. 1/2003, art. 16. Zie voorts HvJEG 14 december 2000, C-344/98, ECLI:EU:C:2000:689, Jur. 2000, p. I-11369; NJ 2001/430 (Masterfoods), r.o. 60, die in art. 16 is gecodificeerd.
Zie hiervoor, nr. 55.
HvJEU 10 september 2009, C-97/08, ECLI:EU:C:2009:536, Jur. 2009, p. I-08237; NJ 2009/572 (Akzo Nobel/Commissie), r.o. 58, en HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 43. Zie in dezelfde zin de andere taalversies van het arrest Akzo Nobel/Commissie (“the conduct of a subsidiary may be imputed to the parent company”; “kann einer Muttergesellschaft das Verhalten ihrer Tochtergesellschaft insbesondere dann zugerechnet warden”; “le comportement d’une filiale peut être imputé à la société”; “il comportamento di una controllata può essere imputato alla società controllante”; “el comportamiento de una filial puede imputarse a la sociedad matriz”), en van het arrest Sumal (“the conduct of a subsidiary may be attributed to the parent company”; “[kann] einer Muttergesellschaft das Verhalten ihrer Tochtergesellschaft insbesondere dann zugerechnet warden”; “le comportement d’une société filiale peut être imputé à la société mère”; “il comportamento di una società figlia può essere imputato alla società madre”; “el comportamiento de una sociedad filial puede imputarse a la sociedad matriz”).
Vgl. Sieburgh 2017a/31.5, die – in een iets andere context – spreekt van ‘juridisch daderschap’.
HvJEU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortmann; JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk (Skanska), r.o. 43-51. Dat het hierbij niet gaat om toerekening van de inbreukmakende gedragingen aan de economisch opvolger, maar om toerekening van de aansprakelijkheid voor de inbreuk (zie hiervoor, nr. 54), maakt voor het Hof van Justitie dus geen verschil.
HvJEU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortmann; JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk (Skanska), r.o. 50.
HvJEU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortmann; JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk (Skanska), r.o. 38.
Zie bijvoorbeeld S.C.J.J. Kortmann 2012, p. 75: “als ik het Manfredi-arrest van het HvJEG goed begrijp, zijn alleen de betrokkenen die zelf daadwerkelijk inbreuk hebben gemaakt, aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. Alleen degene die metterdaad heeft deelgenomen aan de inbreukmakende gedraging is (hoofdelijk) aansprakelijk.” Zie voorts – in dezelfde denkrichting – J.S. Kortmann 2014, p. 681-682 en 691-692; Van Leuken 2016, p. 522; Sieburgh 2016, p. 668-669; Cornelissen, Van Uden & Hoogervorst 2019, p. 62 e.v.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal). Zie daarover ook hiervoor, nr. 55, in de context van een (al dan niet) hoofdelijk op te leggen boete.
Nr. 55.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 67.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 42-43.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 44. Vgl. ook HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 28, waarin het Hof – in het kader van het leerstuk van ‘economische continuïteit – reeds had geoordeeld dat het Unierecht zelf bepaalt welke juridische entiteiten aansprakelijk zijn tot het betalen van schadevergoeding.
Daarbij rust de bewijslast op de (beweerdelijk) benadeelde, zie HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 51 e.v.
Stein e.a. 2022, par. 2.3. Vgl. Cornelissen, Van Uden & Hoogervorst 2019, p. 67.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 38.
Anders, zij het van voor het arrest Sumal: Cornelissen, Van Uden & Hoogervorst 2019, p. 62-67.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 39.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 40.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 51-52.
Zie hierover Stein e.a. 2022, par. 2.4.
Zie voor het Nederlandse recht art. 6:193m BW.
Zie ook Boersen 2019, p. 630-632, die spreekt van “gestapelde hoofdelijkheid en regres”, en Kroes 2022, p. 69, die spreekt van “een kwadraat van hoofdelijkheid”.
Zie hiervoor, nr. 62.
Zie hiervoor, nr. 58.
HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 44.
Ik ga er in dit voorbeeld vanuit dat ondernemingen B en C gedurende dezelfde periode inbreuk hebben gemaakt op het mededingingsrecht.
Ik ga in dit voorbeeld uit van één benadeelde. Doorgaans zullen de vorderingen van benadeelden gebundeld worden, maar dit doet niet af aan het zelfstandige karakter van de aanspraken op schadevergoeding van de verschillende benadeelden.
Ik ga er in dit voorbeeld vanuit dat geen clementie is verleend, omdat dat de rechtsverhoudingen aanzienlijk compliceert (zie Richtlijn 2014/104/EU, art. 11 lid 4 t/m 6). Zie hierna, nr. 69.
Zie hierna, nr. 68.
58. Hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen vóór Richtlijn 2014/104/EU. Tót de inwerkingtreding van Richtlijn 2014/104/EU eind 2014,1 voorzag het Unierecht voor inbreuken die door meerdere inbreukplegers werden begaan niet met zoveel woorden in hoofdelijke aansprakelijkheid. Het Hof van Justitie overwoog in het arrest CDC/Akzo Nobel c.s. dat het al dan niet hoofdelijke karakter van de civiele aansprakelijkheid van inbreukplegers een kwestie is van nationaal recht, door te overwegen dat de inbreukbeschikking:2
“niet de voorwaarden vast[legt] voor hun eventuele – in voorkomend geval hoofdelijke – civiele aansprakelijkheid, die door het nationale recht van iedere lidstaat wordt bepaald”.
Dit arrest is gewezen ná de inwerkingtreding van Richtlijn 2014/104/EU, maar vóór het verstrijken van haar implementatietermijn.3 De Richtlijn bepaalt wél met zoveel woorden dat gezamenlijk inbreukplegers hoofdelijk aansprakelijk zijn (art. 11),4 welke regel als volgt werd gemotiveerd:5
“Wanneer meerdere ondernemingen samen inbreuk maken op de mededingingsregels (zoals bij een kartel) is het wenselijk dat deze inbreukplegers hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de volledige door de inbreuk veroorzaakte schade.”
Het heeft er mijns inziens alle schijn van dat de Uniewetgever het nodig vond om met de richtlijn in hoofdelijke aansprakelijkheid te voorzien, terwijl een dergelijke aansprakelijkheid tot dat moment niet in de rechtspraak was aangenomen.
Inmiddels lijkt het er echter op dat het Hof van Justitie de hierna6 te bespreken hoofdelijkheidsregel uit art. 11 lid van de richtlijn in feite ook is gaan toepassen buíten het temporeel toepassingsbereik van de richtlijn, namelijk door te oordelen dat het Unierecht ook vóór de inwerkingtreding van Richtlijn 2014/104/EU reeds voorzag in hoofdelijke aansprakelijkheid, en dat de regel uit de richtlijn slechts dient ter codificatie daarvan.7
Het Hof van Justitie heeft in de zaak Tibor-Trans/DAF voor het eerst overwogen dat inbreukmakende ondernemingen in geval van een enkele en voortdurende inbreuk hoofdelijk aansprakelijk zijn.8 Dit oordeel leek weinig gewicht toe te komen. Het is gegeven in de context van een rechtsmachtkwestie en gaat uitsluitend over de vraag waar de voor rechtsmacht relevante locus damni moest worden gelokaliseerd,9 het bevat geen interpretatie van art. 101 VwEU, het Hof van Justitie motiveert zijn oordeel op dit punt niet, en het oordeel staat op gespannen voet met zowel de hierboven geciteerde passage uit het arrest CDC/Akzo Nobel c.s. – waarnaar het Hof van Justitie ook niet verwijst – als de eveneens geciteerde motivering van de Uniewetgever bij de invoering van art. 11 Richtlijn 2014/104/EU. Bovendien is het arrest Tibor-Trans/DAF gewezen in een zaak waarin de advocaat-generaal heeft afgezien van het nemen van een conclusie.10 Mijns inziens was dit alles voldoende reden om de beslissing van het Hof van Justitie op dit punt te zien als een ‘slip of the pen’.
Met het arrest Tráficos Manuel Ferrer kan dit mijns inziens echter niet langer worden volgehouden.11 Daar ging het wél om een schadevergoedingskwestie, namelijk onder meer om de vraag – kort gezegd – op welke wijze de schade van een benadeelde moet worden begroot. In dat kader speelt onder meer een rol dat een benadeelde van een inbreukpleger informatie kan verlangen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij door de inbreuk schade heeft geleden.12 Het Hof van Justitie borduurt hierop in het arrest Tráficos Manuel Ferrer voort, met onder meer de overweging dat:13
“het de partij die een schadevordering instelt die is gebaseerd op het bestaan van schade als gevolg van een mededingingsverstorende gedraging, vrij[staat] om deze vordering tot slechts een van de deelnemers aan deze gedraging te richten, aangezien volgens de rechtspraak, zoals de advocaat-generaal in punt 102 van haar conclusie heeft opgemerkt, een inbreuk op het mededingingsrecht met zich meebrengt dat de inbreukmakende ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk zijn (arrest van 29 juli 2019, Tibor-Trans, C‑451/18, EU:C:2019:635, punt 36)”.
Het Hof van Justitie maakt het vervolgens nog bonter, door te overwegen dat het regime van de richtlijn eigenlijk niets nieuws onder de zon was, maar een codificatie van eerdere rechtspraak vormt:14
“Bijgevolg moet artikel 11, lid 1, van richtlijn 2014/104, voor zover het in een dergelijke mogelijkheid voorziet, worden beschouwd als een bepaling waarbij de rechtspraak van het Hof wordt gecodificeerd (…).”
Het Hof van Justitie promoveert hier de ongemotiveerde overweging uit het arrest Tibor-Trans/DAF tot vaste rechtspraak, in navolging van advocaat-generaal Kokott. Het Hof van Justitie heeft tot het arrest Tibor-Trans/DAF echter nooit overwogen dat uit het Unierecht hoofdelijke aansprakelijkheid van gezamenlijke inbreukplegers voortvloeit. Ook in de arresten Kone en Otis,15 waarnaar Kokott in haar conclusie verwijst,16 wordt niet gesproken van hoofdelijke aansprakelijkheid. De overweging van het Hof van Justitie dat de regel uit de richtlijn een ‘codificatie’ vormt van rechtspraak van vóór de richtlijn, vindt dus – mild uitgedrukt – geen steun in die rechtspraak.
De relevantie van het arrest Tráficos Manuel Ferrer is erin gelegen dat waar men er na CDC/Akzo Nobel c.s. vanuit leek te kunnen gaan dat de al dan niet hoofdelijke aansprakelijkheid door het toepasselijke nationale recht moest worden beoordeeld, uit het arrest Tráficos Manuel Ferrer volgt dat ook het Unierecht van vóór Richtlijn 2014/104/EU voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid van de inbreukmakende ondernemingen. Het eventuele bestaan van hoofdelijke aansprakelijkheid is daarmee dus (toch) niet overgelaten aan de procedurele autonomie van de lidstaten.17 Dit roept de vraag op of het Hof van Justitie in de toekomst andere regels uit de richtlijn eveneens op deze wijze zal interpreteren, bijvoorbeeld ten aanzien van een recht op bijdragen tussen ondernemingen of de gevolgen van schikkingen.18 Voor zover het Unierecht deze kwesties zelf regelt, is de procedurele autonomie van de lidstaten immers beperkter.19
Het oordeel van het Hof van Justitie in het arrest Sumal brengt mee dat het Unierecht ook vóór Richtlijn 2014/104/EU wel reeds voorzag in hoofdelijke aansprakelijkheid van juridische entiteiten die tot dezelfde onderneming behoren.20 Zoals ik hierna verder zal toelichten,21 betreft dit echter een andere kwestie dan de hoofdelijke aansprakelijkheid van verschillende inbreukmakende ondernemingen.
59. Hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen onder Richtlijn 2014/104/EU (hoofdregel). Sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2014/104/EU bevat het Unierecht wél een regel over hoofdelijke aansprakelijkheid van inbreukmakende ondernemingen.22 De Richtlijn bepaalt met zoveel woorden dat in geval van meerdere inbreukplegers, het nationale recht dient te voorzien in hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 11 lid 1):
“De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die door een gemeenschappelijk optreden inbreuk hebben gemaakt op het mededingingsrecht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade: elk van deze ondernemingen is verplicht de schade volledig te vergoeden, en de benadeelde partij heeft het recht van elk van hen volledige vergoeding eisen totdat zij volledig is vergoed.” (onderstreping toegevoegd, DFHS)
Het gaat hier om civielrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingen. Zoals reeds toegelicht, gaat het daarbij om een ‘economische eenheid’,23 ook al bestaat die eenheid uit verschillende juridisch zelfstandige entiteiten.24 Het gaat dus om de situatie waarin meerdere ondernemingen zijn betrokken bij een inbreuk op het mededingingsrecht, in welk geval het nationale recht erin dient te voorzien dat zij allen hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens diegenen die door die inbreuk schade hebben geleden.
Wat betreft de externe hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen, kent de Richtlijn twee uitzonderingen: een voor kleine en middelgrote ondernemingen (nr. 60), en een voor ontvangers van boete-immuniteit (nr. 61).
60. Hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen onder Richtlijn 2014/104/EU (uitzondering kleine en middelgrote ondernemingen). Bij het opleggen van boetes aan inbreukmakende ondernemingen wordt rekening gehouden met de omvang van een onderneming, omdat voor het opleggen van een boete een ‘plafond’ geldt van 10% van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan het opleggen van de boete.25 De ratio hiervan is dat een opgelegde boete weliswaar een afschrikkend effect moet hebben, maar er anderzijds niet toe mag leiden dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar komt.26 Op deze wijze wordt tot op zekere hoogte rekening gehouden met de financiële omvang en het ‘incasseringsvermogen’ van ondernemingen.
In het aansprakelijkheidsrecht bestaat een dergelijke regeling in beginsel niet. Wel heeft de Uniewetgever het raadzaam geacht om in Richtlijn 2014/104/EU een bijzondere positie in te ruimen voor de inbreukpleger die een kleine of middelgrote onderneming (KMO) is.27 Op grond van art. 11 lid 2 van de Richtlijn is – in afwijking van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de volledige door de inbreuk veroorzaakte schade – een dergelijke inbreukpleger alleen aansprakelijk “jegens zijn eigen directe of indirecte afnemers”. Omdat het hier zowel gaat om directe als indirecte afnemers, wordt hier wel gesproken van aansprakelijkheid die is beperkt tot de ‘afnemerskolom’ van de KMO. Voorwaarden daarvoor zijn wel dat het marktaandeel op de relevante markt tijdens de inbreuk niet boven de 5% is uitgekomen, en dat het volgen van de hoofdregel de levensvatbaarheid in gevaar zou brengen én de vermogensbestanddelen al hun waarde zou doen verliezen:
“In afwijking van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat, onverminderd het recht op volledige vergoeding als bepaald in artikel 3, indien de inbreukpleger een kleine of middelgrote onderneming is als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (8), de inbreukpleger alleen jegens zijn eigen directe of indirecte afnemers aansprakelijk is indien:
a) zijn marktaandeel op de relevante markt te allen tijde tijdens de inbreuk op het mededingingsrecht minder dan 5 % bedroeg, en
b) de toepassing van de normale regels van hoofdelijke aansprakelijkheid zijn economische levensvatbaarheid onherstelbaar in gevaar zou brengen en zijn vermogensbestanddelen al hun waarde zou doen verliezen.”
Gelet op de cumulatief geformuleerde en stringente voorwaarden (“te allen tijde tijdens de inbreuk”, “vermogensbestanddelen al hun waarde zou doen verliezen”) is het mijns inziens de vraag of de praktijk veel van deze uitzondering heeft te verwachten. Bovendien is de genoemde uitzondering zelf ook aan een uitzondering onderworpen, namelijk dat indien de betrokken onderneming een ‘voortrekkersrol’ heeft gehad bij de inbreuk of reeds eerder schuldig is bevonden aan een inbreuk op het mededingingsrecht (art. 11 lid 3):
“De uitzondering als bedoeld in lid 2 geldt niet indien:
a) de kleine of middelgrote onderneming een leidinggevende rol heeft gespeeld bij de inbreuk of andere ondernemingen heeft aangezet deel te nemen aan de inbreuk, of
b) de kleine of middelgrote onderneming voordien schuldig is bevonden aan inbreuken op de mededingingswetgeving.”
Het heeft er mijns inziens dan ook alle schijn van dat het praktische belang van de bepaling beperkt is.
Als de uitzondering van art. 11 lid 2 van toepassing is, werkt zij als volgt. Stel dat A schade heeft geleden als gevolg van verboden prijsafstemming tussen drie producenten van vrachtwagenonderdelen: B, C en D.
Uitgangspunt is dat iedere producent hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade die door de inbreuk is veroorzaakt (art. 11 lid 1 Richtlijn 2014/104/EU). Het kan hierbij gaan om een door de directe afnemers van de producenten betaalde meerprijs (denk aan vrachtwagenfabrikanten), maar ook indirecte afnemers (afnemers van vrachtwagens) kunnen onder omstandigheden schade lijden,28 namelijk indien de meerprijs aan hen is doorberekend, waardoor zij zelf ook een te hoge prijs hebben betaald.29
Het hoofdelijke karakter van de aansprakelijkheid brengt mee dat als afnemer A (direct of indirect) producten heeft afgenomen van onderdelenproducent B, A ook schadevergoeding kan vorderen van C en D. (Omgekeerd kunnen afnemers van C en D in beginsel ook schadevergoeding vorderen van producent B.)
Indien B echter een kleine of middelgrote onderneming is, en voorts voldoet aan de overige vereisten van art. 11 lid 2 van de Richtlijn, is B enkel aansprakelijk jegens eigen afnemers, dat wil zeggen: afnemers die daadwerkelijk producten hebben afgenomen die door B verkocht zijn. Indien afnemer A uitsluitend producten heeft afgenomen van producent C en/of D, is producent B dus niet aansprakelijk jegens A.
Zie over de vraag of B ook telkens voor de volledige schade van A aansprakelijk is, hierna.30
61. Hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen onder Richtlijn 2014/104/EU (uitzondering ontvangers van immuniteit). Belangrijker voor de praktijk acht ik de tweede uitzondering, ten aanzien van ontvangers van boete-immuniteit. Eén van de instrumenten van de Commissie ter opsporing van inbreuken op het mededingingsrecht, is de zogeheten ‘clementieregeling’ (of ‘klikregeling’ of ‘leniency policy’).31 Ondernemingen kunnen de Commissie uit eigen beweging voorzien van informatie en bewijsmateriaal omtrent een inbreuk waaraan zij zelf hebben deelgenomen. In ruil voor dergelijke informatie kan een onderneming onder omstandigheden32 immuniteit worden verleend voor een haar op te leggen boete, of kan een dergelijke boete worden verminderd.33 Immuniteit belet niet dat een boete aan de onderneming wordt opgelegd, maar brengt mee dat een ‘korting’ van 100% wordt verleend op het als boete te betalen bedrag. De inbreuk door de ontvanger van immuniteit wordt dus wel degelijk in een beschikking vastgesteld, maar er is geen boete verschuldigd. De clementieregeling wordt door de Commissie zelf “very successful” genoemd.34 Op deze wijze verkrijgt de Commissie immers informatie die als gevolg van het voortduren van de inbreuk voor haar anders mogelijk (nog korte of langere tijd) ontoegankelijk zou zijn gebleven.
Aangezien ten aanzien van ontvangers van boete-immuniteit wel een inbreuk op het mededingingsrecht wordt vastgesteld, zijn ook zij verplicht de daardoor ontstane schade te vergoeden.35 Gelet op het belang van clementieverzoeken voor de handhaving van het mededingingsrecht heeft de Uniewetgever ontvangers van boete-immuniteit echter ook civielrechtelijk beschermd.36 Waar art. 11 lid 1 van Richtlijn 2014/104/EU alle ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk acht voor de volledige door de inbreuk veroorzaakte schade, is een ontvanger van immuniteit enkel aansprakelijk voor de schade die zijn eigen (directe of indirecte) afnemers hebben geleden, tenzij de andere ondernemingen niet de volledige schade kunnen vergoeden (art. 11 lid 4):
“In afwijking van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat een ontvanger van immuniteit, hoofdelijk aansprakelijk is jegens:
zijn directe of indirecte afnemers of leveranciers, en
de andere benadeelde partijen, doch slechts indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht betrokken ondernemingen.”
Dit betekent dus dat de ontvanger van boete-immuniteit in beginsel alleen aansprakelijk is voor de schade die in zijn ‘afnemerskolom’ is geleden.
In het hiervoor gegeven voorbeeld van verboden prijsafstemming tussen producenten van vrachtwagenonderdelen B, C en D, betekent dit het volgende. Uitgangspunt is dat iedere producent hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige door de inbreuk veroorzaakte schade (art. 11 lid 1 Richtlijn 2014/104/EU). Afnemers van producten die (direct of indirect) afkomstig zijn van onderdelenproducent B, kunnen in beginsel ook schadevergoeding vorderen van C en D; omgekeerd kunnen afnemers van C en D in beginsel ook schadevergoeding vorderen van producent B.
Indien aan producent B echter boete-immuniteit is verleend, brengt art. 11 lid 4 van Richtlijn 2014/104/EU mee dat B in beginsel alleen aansprakelijk is jegens zijn eigen afnemers. Omdat het hier zowel gaat om directe als indirecte afnemers, wordt ook hier wel gesproken van aansprakelijkheid die is beperkt tot B’s ‘afnemerskolom’. Afnemers die alleen bij C en/of D hebben afgenomen, hebben jegens B in beginsel dus geen recht op schadevergoeding.
Zie over de vraag of B ook telkens voor de volledige schade van A aansprakelijk is, hierna.37
De uitzondering op deze regel in art. 11 lid 4 sub b brengt mee dat de immuniteitsontvanger niet altijd buiten schot blijft. Indien de andere inbreukplegers geen verhaal bieden voor hun aansprakelijkheid, kan een benadeelde zich tóch tot de immuniteitsontvanger wenden. De immuniteitsontvanger is dus soms ‘subsidiair’ aansprakelijk voor schade die groter is dan de schade als bedoeld in art. 11 lid 4 sub a.38
Wat opvalt aan de tekst van art. 11 lid 4, is dat het – anders dan de hiervoor besproken uitzondering van art. 11 lid 2 – spreekt van een hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de eigen afnemers. Daarbij gaat het mijns inziens om de aansprakelijkheid van de overige inbreukplegers, voor zover die samenloopt met de aansprakelijkheid van de immuniteitsontvanger jegens zijn afnemers. Voor de inbreukplegers die géén boete-immuniteit hebben ontvangen, geldt immers de hoofdregel van art. 11 lid 1, zodat zij in beginsel zonder beperking aansprakelijk zijn voor de door de inbreuk veroorzaakte schade. De schade waarvoor de immuniteitsontvanger op de voet van lid 2 aansprakelijk is, is ook door de inbreuk veroorzaakt, zodat de overige inbreukplegers eveneens – en dus hoofdelijk met de immuniteitsontvanger – aansprakelijk zijn.39
62. Hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen onder Richtlijn 2014/104/EU (aansprakelijkheid “jegens eigen directe of indirecte afnemers”). De Richtlijn beperkt de aansprakelijkheid dus zowel in art. 11 lid 240 als in art. 11 lid 441 tot “eigen directe of indirecte afnemers”. Daarbij wordt uit de Richtlijn niet aanstonds duidelijk wat precies wordt bedoeld met deze formulering.
Een eerste mogelijke interpretatie is dat deze zinsnede letterlijk moet worden genomen, en simpelweg als criterium hanteert of degene die schadevergoeding vordert van de KMO of immuniteitsontvanger, zelf (ook) producten heeft afgenomen van die KMO of immuniteitsontvanger.42 Het gaat dan, met andere woorden, simpelweg om de schade van de eigen afnemerskolom. Als dit inderdaad de enige bepalende factor is, dan zou dit betekenen dat een KMO of immuniteitsontvanger aansprakelijk is voor de volledige schade van de eigen direct of indirecte afnemers, met inbegrip van schade die hun is toegebracht door andere inbreukplegers of niet-inbreukplegers (parapluschade43). Een afnemer die ook maar één product heeft afgenomen van een KMO, zou dan ook op grond van art. 11 lid 2 voor zijn volledige door de inbreuk veroorzaakte schade bij die KMO terecht kunnen, en voor een afnemer die ook maar één product van een immuniteitsontvanger heeft afgenomen, geldt op grond van art. 11 lid 4 hetzelfde.
Stel dat A schade lijdt als gevolg van een door ondernemingen B, C en D gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht door het maken van prijsafspraken. Gedurende de inbreukperiode heeft A tien relevante producten afgenomen: één van B, drie van C, en zes van D. Voor het gemak ga ik ervan uit dat A de door hem gekochte producten niet heeft doorverkocht.
Indien onderneming B voldoet aan de vereisten van art. 11 lid 2 van de Richtlijn, is haar aansprakelijkheid bij deze interpretatie beperkt tot haar eigen directe of indirecte afnemers. Als slechts bepalend is of de partij die schadevergoeding vordert, (ook) afnemer is van de KMO, zou B op grond van art. 11 lid 2 hier aansprakelijk zijn voor de volledige schade van A, dus óók voor de schade als gevolg van de door C en D aan A verkochte producten.
Indien onderneming B voldoet aan de vereisten van art. 11 lid 4 van de Richtlijn, geldt bij deze interpretatie voor A hetzelfde: hij kan voor zijn volledige schade terecht bij B, omdat A een afnemer is van B.
Ook een andere lezing van de bepaling is denkbaar. Men zou deze zinsnede ook zo kunnen verstaan dat het gaat om aansprakelijkheid jegens de eigen directe of indirecte afnemers voor de aan die afnemers toegebrachte schade.44 Het gaat dan eveneens slechts om schade van de eigen afnemerskolom, maar dan ook nog slechts voor zover die het gevolg is van door de KMO of immuniteitsontvanger verkochte producten. Een afnemer die maar één product van die KMO of immuniteitsontvanger heeft afgenomen, heeft in deze lezing dus slechts recht op schadevergoeding van die KMO of immuniteitsontvanger voor zover die verband houdt met de aanschaf van dat ene product. De KMO of immuniteitsontvanger blijft in deze lezing in beginsel gevrijwaard van aansprakelijkheid voor schade als gevolg van verkopen aan zijn afnemers door andere inbreukplegers of niet-inbreukplegers.
Stel dat A schade lijdt doordat ondernemingen B, C en D inbreuk hebben gemaakt op het mededingingsrecht door het maken van prijsafspraken. Gedurende de inbreukperiode heeft A tien relevante producten afgenomen: één van B, drie van C, en zes van D. Voor het gemak ga ik ervan uit dat A de door hem gekochte producten niet heeft doorverkocht.
Indien onderneming B voldoet aan de vereisten van art. 11 lid 2 van de Richtlijn, is haar aansprakelijkheid bij deze interpretatie beperkt tot de schade die door de verkopen door B is toegebracht aan B’s directe of indirecte afnemers. Daaronder valt niet de volledige schade van A, maar slechts de schade die het gevolg is van de afname van het ene product door A van B. Voor eventuele schade als gevolg van de andere negen aankopen door A, is B in deze lezing niet aansprakelijk.
Indien onderneming B voldoet aan de vereisten van art. 11 lid 4 van de Richtlijn, geldt bij deze interpretatie voor A hetzelfde: hij kan voor slechts terecht bij B voor de schade als gevolg van de verkopen door B aan A.
In beide gevallen zijn C en D in beginsel wel onverkort hoofdelijk aansprakelijk jegens A (art. 11 lid 1).
Het zal duidelijk zijn dat beide verschillende interpretaties tot zeer verschillende uitkomsten kunnen leiden.
Bauermeister leidt uit onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling inzake immuniteitsontvangers (art. 11 lid 4) af dat de tweede interpretatie – de immuniteitsontvanger is alleen aansprakelijk voor schade als gevolg van zijn eigen verkopen – in dit kader het meest voor de hand ligt.45 Zij doet dat onder meer op basis van het Witboek dat ten grondslag ligt aan de Richtlijn, waaruit blijkt dat het de Commissie het volgende voor ogen stond:46
“om de clementieregelingen van de Europese mededingingsautoriteiten te beschermen, zouden partijen aan wie immuniteit is verleend, alleen aansprakelijk mogen worden gehouden voor de door hen veroorzaakte schade - nièt voor de volledige schade die door de inbreuk werd veroorzaakt”.
Ook de toelichting van de Commissie op het richtlijnvoorstel uit 2013 wijst in deze richting:47
“Het is daarom aangewezen dat de partij aan wie immuniteit is verleend in beginsel wordt vrijgesteld van de gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid voor de volledige schade en dat haar aandeel niet groter is dan de schade berokkend aan haar eigen directe of indirecte afnemers of, in het geval van een inkoopkartel, haar directe of indirecte leveranciers.”
Daarbij is van belang dat de huidige tekst van de Richtlijn wat de formulering “jegens de eigen directe of indirecte afnemers” betreft, ten opzichte van het voorstel niet is gewijzigd. Bauermeister komt daarom tot de conclusie:48
“dass ein Kronzeuge seinen Vertragspartnern für den durch seine Transaktionen verursachten Schaden, nicht aber für darüber hinausgehende, durch Mitkartellanten verursachte Schäden aufkommen muss”.
Hoewel de beperking van aansprakelijkheid van KMO’s (art. 11 lid 2) niet op een dergelijke totstandkomingsgeschiedenis berust, komt Bauermeister op dit punt tot eenzelfde conclusie. Zij doet dat op basis van een systematisch argument (de vergelijking met de regeling van art. 11 lid 4) en een teleologisch argument, namelijk de strekking van art. 11 lid 2 om het voortbestaan van de inbreukmakende KMO niet in gevaar te brengen.49
Zelf meen ik dat voor de opvatting van Bauermeister nog pleit dat een letterlijke interpretatie van art. 11 lid 2 en 4 op gespannen voet zou staan met het bevorderen van de schikkingsbereidheid van partijen.50 In de afweging van een KMO of immuniteitsontvanger om al dan niet tot een schikking over te gaan, zal een belangrijke rol spelen in hoeverre de KMO of immuniteitsontvanger het overzicht heeft over de omvang van de aanspraken van de afnemer(s) met wie mogelijk een schikking zal worden getroffen. Als de aansprakelijkheid ook schade omvat als gevolg van aankopen van die afnemer(s) bij andere inbreukplegers of – in het kader van parapluschade51 – andere niet-inbreukplegers, is die afweging een stuk lastiger te maken, omdat de KMO of immuniteitsontvanger doorgaans geen goed inzicht heeft van de contractuele relaties tussen de eigen afnemer(s) en andere verkopers, of de daarover door de benadeelde(n) verstrekte informatie niet goed kan beoordelen.
Al met al pleit eigenlijk alleen de tekst van de Richtlijn voor een letterlijke interpretatie, terwijl daar de totstandkomingsgeschiedenis, het doel van de bepalingen en de implicaties voor de schikkingsbereidheid van partijen tegenover staan. Aangezien die laatste factoren mijns inziens zwaarder wegen, meen ik dat naar geldend recht uit de Richtlijn voortvloeit dat een KMO of immuniteitsontvanger niet alleen slechts aansprakelijk is jegens zijn eigen directe of indirecte afnemers, maar ook slechts voor zover het gaat om schade als gevolg van verkopen door de desbetreffende KMO of immuniteitsontvanger. Lidstaten moeten dus ervoor zorgen dat de aansprakelijkheid van de KMO of immuniteitsontvanger niet verder reikt. Voor de vergoeding van schade van directe of indirecte afnemers die het gevolg is van verkopen door andere inbreukplegers of niet-inbreukplegers, kunnen zij in beginsel52 slechts bij de andere aansprakelijke inbreukplegers terecht.53
63. Hoofdelijke aansprakelijkheid van juridische entiteiten binnen dezelfde onderneming (meervoudig daderschap). In de hiervoor besproken gevallen ging het telkens om de hoofdelijke aansprakelijkheid van meerdere ondernemingen die in strijd hebben gehandeld met het mededingingsrecht. Daarvan dient te worden onderscheiden de (mogelijk) hoofdelijke aansprakelijkheid van juridische entiteiten die tot dezelfde onderneming behoren.
Indien binnen één onderneming meerdere juridische entiteiten schuldig zijn bevonden aan een inbreuk, dan staat daarmee – indien geen rechtsmiddel meer openstaat tegen de inbreukbeschikking – ook in een civiele procedure ter verkrijging van schadevergoeding vast dat de desbetreffende juridische entiteiten onrechtmatig hebben gehandeld (de ‘Unierechtelijke formele rechtskracht’).54 Dit geldt indien meerdere juridische entiteiten zelf betrokken zijn geweest bij verboden gedragingen, maar mijns inziens evengoed indien naast een of meer werkmaatschappijen ook een moedermaatschappij op grond van de ‘Akzo-doctrine’ schuldig is bevonden aan de inbreuk. Zoals reeds opgemerkt,55 gaat het er daarbij immers om “dat het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend”.56 Het gedrag van de dochtermaatschappij heeft dan juridisch niet alleen te gelden als haar eigen gedrag, maar ook als dat van de moedermaatschappij.57 Komt bij beschikking vast te staan dat dat gedrag in strijd is met het kartelverbod, en staan tegen de beschikking geen rechtsmiddelen meer open, dan staat dus ook wat de moedermaatschappij betreft vast dat zij – juridisch bezien – onrechtmatig heeft gehandeld wegens strijd het kartelverbod.
Anders ligt het mijns inziens ten aanzien van de doctrine van economische continuïteit. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Skanska geoordeeld dat de economisch opvolger niet alleen kan worden beboet, maar ook civielrechtelijk aansprakelijk is.58 Daarbij overwoog het Hof van Justitie dat de overnemende juridische entiteiten “de aansprakelijkheid van deze laatste vennootschappen [de inbreukmakende vennootschappen; DFHS] voor de door de mededingingsregeling in kwestie veroorzaakte schade op zich hebben genomen, omdat zij als rechtspersonen hebben gezorgd voor de economische continuïteit van die vennootschappen”.59 Het Hof van Justitie stelt wel als voorwaarde dat “die entiteit [de inbreukmakende entiteit; DFHS] en de nieuwe entiteit in economisch opzicht identiek zijn”.60 Dit maakt dat de ruimte voor hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van de doctrine van economische continuïteit mijns inziens beperkt is, omdat indien een inbreukmakende vennootschap wordt overgenomen door meerdere overnemende juridische entiteiten, niet – of in ieder geval niet snel – aan dit vereiste zal zijn voldaan.
64. Hoofdelijke aansprakelijkheid van juridische entiteiten binnen dezelfde onderneming (het arrest Sumal). In het arrest Sumal ging het om de (mogelijk) hoofdelijke aansprakelijkheid van juridische entiteiten binnen dezelfde onderneming, maar dan om de aansprakelijkheid van een juridische entiteit die niét bij de inbreuk betrokken was. Over het antwoord op de vraag of ook juridische entiteiten waarvan betrokkenheid bij de inbreuk niet vast staat, aansprakelijk kunnen zijn, bestond in de literatuur lange tijd discussie.61
Met het arrest Sumal is echter duidelijk geworden dat ook juridische entiteiten die ten tijde van de inbreuk tot de inbreukmakende onderneming behoorden, maar niet schuldig zijn bevonden aan een inbreuk, hoofdelijk aansprakelijk zijn tot vergoeding van de door de inbreuk veroorzaakte schade.62 Het ging in deze zaak – die hiervoor63 uitgebreider aan de orde kwam – om de vraag of Mercedes Benz Trucks España (‘MBTE’) als dochtermaatschappij van het inbreukmakende Daimler AG verplicht was om de schade te vergoeden die Sumal door die inbreuk stelde te hebben geleden. Het ging, met andere woorden, om toerekening ‘omlaag’, in het kader van schadevergoeding. Het Hof van Justitie oordeelde in dat kader dat indien komt vast te staan dat ten tijde van de inbreuk tot dezelfde onderneming behoorde als Daimler AG, ook MBTE verplicht is tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade,64 ook al bleek op geen enkele manier dat MBTE bij de inbreuk betrokken was of daarvan zelfs ook maar weet had.
De belangrijkste reden om alle juridische entiteiten die ten tijde van de inbreuk tot de inbreukmakende onderneming behoorden, aansprakelijk te achten voor de gevolgen van die inbreuk, lijkt te zijn dat de onderneming op de markt als één geheel optreedt, zodat ieder constituerend deel daarvan volgens het Hof aansprakelijk moet zijn:65
“Wanneer vaststaat dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en dus één enkele onderneming in de zin van artikel 101 VWEU vormen, is bijgevolg het bestaan zelf van deze economische eenheid die de inbreuk heeft gepleegd, doorslaggevend voor de aansprakelijkheid van de ene of de andere tot de onderneming behorende vennootschap voor de mededingingsverstorende gedraging van de onderneming.”
Het Hof leidt hieruit vervolgens af dat indien een onderneming gehouden is schadevergoeding te betalen, iedere juridische entiteit die ten tijde van de inbreuk deel uitmaakte van de onderneming, daartoe hoofdelijk aansprakelijk is:66
“Om die reden leidt het begrip „onderneming”, en dus het begrip „economische eenheid”, van rechtswege tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de entiteiten waaruit de economische eenheid op het moment van de inbreuk bestaat (…).”
De slotsom is dus dat als komt vast te staan dat MBTE ten tijde van de inbreuk tot dezelfde onderneming behoorde als Daimler AG,67 ook MBTE (hoofdelijk met Daimler AG) aansprakelijk is jegens Sumal, ook al was MBTE zelf niet betrokken bij de inbreuk. Dit arrest is gewezen in de context van aansprakelijkheid voor schending van art. 101 VwEU, maar aangezien in art. 102 VwEU hetzelfde ondernemingsbegrip wordt gehanteerd, meen ik dat het evengoed opgaat voor de aansprakelijkheid van juridische entiteiten binnen een onderneming die aansprakelijk is wegens schending van art. 102 VwEU.
65. Rechtvaardiging van hoofdelijke aansprakelijkheid van niet-inbreukmakende juridische entiteiten. Het arrest Sumal roept de vraag op wat de rechtvaardiging is van de hoofdelijke aansprakelijkheid van niet-inbreukmakende juridische entiteiten. Het arrest Sumal is gewezen door de Grote Kamer van het Hof van Justitie, maar bevat opvallend weinig normatieve overwegingen.
In feite aanvaardt het Hof van Justitie een kwalitatieve aansprakelijkheid van tot een onderneming behorende juridische entiteiten,68 die namelijk zelfs tot schadevergoeding verplicht zijn indien komt vast te staan dat slechts één van haar moeder-, dochter- of zustervennootschappen een inbreuk maakt op het mededingingsrecht:69
“In dit verband kunnen juridische entiteiten binnen een economische eenheid slechts aansprakelijk worden gesteld indien het bewijs wordt geleverd dat op zijn minst één tot deze economische eenheid behorende juridische entiteit artikel 101, lid 1, VWEU heeft geschonden, zodat de onderneming die door die economische eenheid wordt gevormd, wordt geacht inbreuk te hebben gemaakt op die bepaling, en indien deze omstandigheid is vastgesteld in een onherroepelijk geworden besluit van de Commissie (…).”
De centrale gedachte in het arrest lijkt te zijn dat de onderneming als economische eenheid op de markt optreedt, dat de onderneming ook de normadressaat is van art. 101 VwEU (en art. 102 VwEU), en dat de onderneming als een geheel worden beschouwd (de ‘eenheidsgedachte’). Deze eenheidsgedachte is in het kader van het kartelverbod in die zin consequent toegepast, dat dit verbod zich bewust richt tot ‘ondernemingen’,70 in de Richtlijn bewust wordt gesproken van de aansprakelijkheid van ‘ondernemingen’ tot betaling van schadevergoeding,71 en in de Richtlijn ook wordt gesproken van een verhaalsrecht tussen ‘ondernemingen’ (aangeduid als ‘inbreukplegers’).72 Deze benadering kent als voordeel dat het voor de benadeelde eenvoudig is om de jegens hem aansprakelijke juridische entiteit(en) te vinden. Hij hoeft niet na te gaan welke entiteiten bij de inbreuk betrokken waren, maar kan ermee volstaan te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat de door hem aangesproken juridische entiteit ten tijde van de inbreuk tot een inbreukmakende onderneming behoorde.73 Vanuit de benadeelde bezien maakt het dus geen verschil of een onderneming opereert vanuit één ‘grote’ vennootschap, of bestaat uit een holdingvennootschap, landelijke holdingvennootschappen, en lokale werkmaatschappijen: vanwege de hoofdelijke aansprakelijkheid zijn de vermogensbestanddelen van alle juridische entiteiten die ten tijde van de inbreuk tot een inbreukmakende onderneming behoorde, vatbaar voor verhaal.
Voor de goede orde merk ik op dat in geval van aansprakelijkheid van een dochtervennootschap voor een door haar moedervennootschap gepleegde inbreuk (‘toerekening omlaag’), zoals in het arrest Sumal, het voor verhaal vatbare vermogen niet wordt vergroot.74 De waarde van de vermogensbestanddelen van dochtervennootschappen vertaalt zich immers in de waarde van de aandelen die de inbreukmakende moedervennootschap (direct of indirect) in die vennootschappen houdt. In geval van aansprakelijkheid van een moedervennootschap voor door een dochtervennootschap begane inbreuk (‘toerekening omhoog’) of van een zustervennootschap voor een door haar zustervennootschap begane inbreuk (‘toerekening opzij’) zal het voor verhaal vatbare vermogen doorgaans wel worden vergroot.
66. Verhouding tussen de hoofdelijke aansprakelijkheid uit Richtlijn 2014/104/EU en de hoofdelijke aansprakelijkheid uit het arrest Sumal. Wat mij betreft is het van belang om onderscheid te maken tussen de hiervoor besproken hoofdelijke aansprakelijkheid uit de Richtlijn en de hoofdelijke aansprakelijkheid uit het arrest Sumal. Waar de Richtlijn voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen, gaat het in het arrest Sumal om de hoofdelijke aansprakelijkheid van juridische entiteiten binnen dezelfde onderneming. Beide aansprakelijkheden liggen uiteraard in die zin in elkaars verlengde, dat indien uit (implementatiewetgeving ten aanzien van) de Richtlijn voortvloeit dat verschillende ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een gezamenlijke inbreuk,75 uit het Sumal-arrest voortvloeit dat iedere juridische entiteit die ten tijde van de inbreuk onderdeel uitmaakte van een van die ondernemingen, daartoe hoofdelijk is verbonden. Er is dan sprake van verschillende ‘lagen’ van hoofdelijkheid.76
Noodzakelijk is dit overigens niet, omdat de ‘Sumal-problematiek’ zich ook kan voordoen indien het gaat om inbreuk op art. 102 VwEU,77 waarbij slechts één onderneming is betrokken. Daarnaast gaat het arrest Sumal over de interpretatie van het begrip ‘onderneming’, dat ook wordt toegepast in gevallen die vallen buiten het temporeel toepassingsbereik van Richtlijn 2014/104/EU vallen.
In dergelijke gevallen voorziet het Unierecht niet in hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen,78 maar vloeit uit het arrest Sumal mijns inziens voort dat indien een onderneming aansprakelijk is, de ten tijde van de inbreuk tot die onderneming behorende juridische entiteiten hoofdelijk aansprakelijk zijn.79
Voor de benadeelde brengen deze verschillende lagen van hoofdelijke aansprakelijkheid mee dat hij simpelweg kan kiezen welke tot een inbreukmakende onderneming behorende juridische entiteit(en) hij tot schadevergoeding aanspreekt (mits zij gedurende de inbreuk tot die onderneming behoorden).
Stel dat komt vast te staan dat ondernemingen B en C hoofdelijk aansprakelijk zijn vanwege een door hen gezamenlijk gepleegde inbreuk op het kartelverbod.80 Een benadeelde A81 die ten opzichte van de situatie zónder inbreuk een meerprijs van € 900.000 heeft betaald, kan zijn volledige door de inbreuk veroorzaakte schade verhalen op onderneming B en/of C. Binnen deze ondernemingen kan hij zich verhalen op alle entiteiten die daarvan ten tijde van de inbreuk deel uitmaakten.
Indien komt vast te staan dat onderneming B gedurende de volledige inbreuk uit twee entiteiten bestond (B1 en 100%-dochtermaatschappij B2), en dat onderneming C gedurende de hele inbreuk uit drie entiteiten bestond (C1 en 100%-dochtermaatschappijen C2 en C3), dan betekent dit dat A zich kan wenden tot B1, B2, C1, C2, en C3, die jegens hem hoofdelijk aansprakelijk zijn.82
De combinatie van beide lagen van hoofdelijke verbondenheid brengt mee dat de benadeelde ter verkrijging van schadevergoeding simpelweg kan kiezen tussen alle juridische entiteiten die ten tijde van de gehele inbreuk deel uitmaakten van een inbreukmakende onderneming: ieder van hen is hoofdelijk gehouden de schade van de benadeelde (€ 900.000) te vergoeden.
Naar ik hierna verder zal toelichten,83 meen ik dat aan het onderscheid tussen beide lagen van hoofdelijke aansprakelijkheid groot gewicht toekomt in het kader van regres tussen hoofdelijk aansprakelijke ondernemingen.