Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/4.3.2.a
4.3.2.a Het toetsingskader voor het eigendomsrecht van art. 1 EP EVRM
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS596513:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Barkhuysen/Van Emmerik (2005), p. 10 e.v.; Asser/Hartkamp 3-I* 2011/220; Schild (2012), p. 34.
O.a. Vande Lanotte/Haeck (2004), p. 357; Barkhuysen/Van Emmerik (2005), p. 53; Janssen (2006), p. 338; Milo (2007), p. 48; Asser/Hartkamp 3-I* 2011/226; Schild (2012), p. 35.
EHRM 23 september 1982, NJ 1988/290 (Sporrong en Lönnroth t. Zweden). Zie hierover ook Vande Lanotte/Haeck (2004), p. 308; Schutte (2004), p. 28; Barkhuysen/Van Emmerik (2005), p. 52; Eikelboom (2009), p. 607; Schild (2012), p. 121. De Engelse tekst van art. 1 EP EVRM luidt als volgt: “Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possession except in the public !
Ploeger (2000), p. 688; Schutte (2004), p. 35 e.v.; Schild (2012), p. 120.
Ploeger (2000), p. 688-690; Vande Lanotte/Haeck (2004), p. 318-329; Schutte (2004), p. 42-51; Barkhuysen/Van Emmerik (2005), p. 56-60; Milo (2007), p. 48; Eikelboom (2009), p. 607; Schild (2012), p. 121.
Het begrip is ruimer dan het in het Nederlandse recht bekende eigendomsrecht van art. 5:1 lid 1 BW, zie ook Ploeger (2000), p. 690.
EHRM 23 februari 1995 (onder 53), nr. 15375/89 (Gasus Dosier- und Fordertechnik GmbH t. Nederland). Vgl. EHRM 5 januari 2000, nr. 33202/96 (Beyeler t. Italië); EHRM 11 januari 2007, nr. 73049/01 (Anheuser-Busch Inc. t. Portugal).
EHRM 12 oktober 1982, nr. 8588/79 en 8589/79 (Bramelid en Malström t. Zweden).
Dit uitgangspunt is door het EHRM diverse malen bevestigd in o.m. EHRM 25 juli 2002 (onder 92), nr. 48553/99 (Sovtransavto Holding t. Oekraïne); EHRM 7 november 2002 (onder 60), nr. 30417/96 (Olczak t. Polen).
Ploeger (2000), p. 691; Schutte (2004), p. 51.
O.a. Vande Lanotte/Haeck (2004), p. 353; Schutte (2004), p. 35 e.v.; Barkhuysen/Van Emmerik (2005), p. 62 e.v.; Ploeger (2005), p. 113; Schild (2012), p. 126.
O.a. Vande Lanotte/Haeck (2004), p. 353; Schutte (2004), p. 53; Barkhuysen/Van Emmerik (2005), p. 67; Ploeger (2005), p. 113.
De bepalingen uit het EP EVRM en het EVRM richten zich in principe tot de verdragstaten. Zij zijn gehouden de desbetreffende vrijheden van deze bepalingen te waarborgen. De regels hebben daarom in beginsel slechts verticale werking.1
Een burger kan de rechter echter dwingen om het nationale recht verdragsconform te interpreteren. Laatstgenoemde moet vervolgens een rechtsregel buiten toepassing laten, voor zover de toepassing hiervan een schending van een verdragsbepaling oplevert. Er is op deze manier sprake van indirecte horizontale werking.2
Uit art. 1 EP EVRM zijn drie afzonderlijke regels te onderscheiden: (i) het beginsel van het ongestoord genot van eigendom, (ii) de bescherming tegen de ontneming van eigendom en (iii) de mogelijkheid tot regulering van het eigendomsrecht.3
Voor de vraag of er sprake is van een schending van het eigendomsrecht zijn een drietal elementen van belang. Allereerst moet het beweerlijk geschonden recht kwalificeren als ‘eigendom’ in de zin van art. 1 EP EVRM. Vervolgens is het de vraag of er daadwerkelijk een inbreuk is gemaakt op dit eigendom. Tot slot is het de vraag of deze inbreuk gerechtvaardigd is.4
Het EHRM legt het eigendomsbegrip van art. 1 EP EVRM ruim en autonoom uit.5 Dat betekent dat het begrip niet gebonden is aan nationaalrechtelijke definities en evenmin beperkt is tot het eigendom van zaken.6 Onder het begrip vallen bijvoorbeeld ook ‘certain other rights and interests constituting asses’.7 Reeds in 1982 is bepaald dat ook aandelen kwalificeren als eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM.8 Zij vertegenwoordigen een economische waarde en zijn daarom te beschouwen als ‘possessions’.9
Het eigendomsrecht is niet absoluut en kan worden beperkt. Of van een beperking sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Het EHRM neemt relatief snel aan dat er sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht.10 Bij de gedwongen overdracht in de uitkoopprocedure bestaat naar mijn mening geen twijfel. Er is een inbreuk op het eigendomsrecht.
Niet elke beperking levert echter een schending van art. 1 EP EVRM op. Dit hangt er, zoals gezegd, van af of de beperking gerechtvaardigd is. In de rechtspraak is hiervoor een toetsingskader ontwikkeld. De toetsing geschiedt aan de hand van de volgende drie stappen:
de legitimiteit (lawfulness): is de inbreuk voorzien bij wet?
het doel (general interest): dient de inbreuk een gerechtvaardigd algemeen belang?
de proportionaliteit (fair balance): bestaat er een rechtvaardig evenwicht tussen de bevordering van het algemeen belang en de bescherming van de rechten van het individu?11
De verdragstaten komen een hoge mate van vrijheid toe om te beoordelen of de beperking van het eigendomsrecht proportioneel en in het algemeen belang is (margin of appreciation).12