Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.0:2.4.0 Introductie
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.0
2.4.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859063:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het oude recht leidt de rechterlijke vaststelling van een lasterlijke beschuldiging tegen de erflater van een misdrijf waarop een maximale vrijheidsstraf van ten minste vier jaren is gesteld enkel in het versterferfrecht tot onwaardigheid. Het oude testamentaire erfrecht verbindt hieraan geen consequenties. De gedachte hierachter is dat de erflater de mogelijkheid heeft gehad om na deze misdraging zijn testament te wijzigen. Maakt hij daarvan geen gebruik, dan wordt ervan uitgegaan dat de erflater vergiffenis heeft geschonken.1
In het ontwerp-Meijers is deze gedachte losgelaten. Vergeving dient uitdrukkelijk te geschieden. Een enkel stilzitten door de erflater is niet voldoende.2 Dat heeft tot gevolg dat deze onwaardigheidsgrond door Meijers is uitgebreid en zich ook uitstrekt tot het testamentaire erfrecht. De bepaling uit zijn ontwerp luidt als volgt:
‘hij die bij rechterlijke uitspraak overtuigd is tegen de erflater lasterlijk een beschuldiging van een misdrijf te hebben ingebracht, waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is gesteld’3
Tijdens de parlementaire behandeling is weinig stilgestaan bij deze grond. Er is een enkele opmerking gemaakt over de archaïsche formulering en bij de laatste nota van wijziging is de bepaling redactioneel verbeterd.4 Verder is de eis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak toegevoegd en is in het verlengde van de toevoeging bij de tweede onwaardigheidsgrond dat het moet gaan om een feit dat naar Nederlands recht met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf is bedreigd, tot uitdrukking gebracht dat de in rechte vastgestelde beschuldiging betrekking moet hebben op een misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een maximumstraf van ten minste vier jaren is gesteld.5 De definitieve versie van artikel 4:3 lid 1 sub c BW luidt als volgt:
‘hij van wie bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat hij tegen de erflater lasterlijk een beschuldiging van een misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is gesteld’
In deze paragraaf komen de verschillende onderdelen van deze onwaardigheidsgrond aan de orde. Allereerst staat de lasterlijke beschuldiging centraal (par. 2.4.1 en 2.4.2). Daarna komt de term ‘tegen de erflater’ aan bod (par. 2.4.3). Vervolgens komen de poging, voorbereiding en deelneming aan de orde (par. 2.4.4). De paragraaf sluit af met de eis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak (par. 2.4.5).