De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.3.5:5.3.5 Recht op het gebruik van hulpmiddelen bij examens
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.3.5
5.3.5 Recht op het gebruik van hulpmiddelen bij examens
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949306:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 45c, tweede lid, van de Wpo.
Artikel 3.54 van het Uitvoeringsbesluit Wvo 2020.
Louw 2011, p. 208.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is uiteengezet dat de leerling met een beperking recht heeft op extra ondersteuning in het onderwijs. Deze ondersteuning strekt zich ook uit over toetsen, tentamens en examens, in dat geval bestaat deze ondersteuning doorgaans uit het gebruikmaken van bepaalde hulpmiddelen of aangepaste opgaven. Voor de doorstroomtoets in het primair onderwijs is bepaald dat het CvTE jaarlijks aangepaste doorstroomtoetsen opstelt voor leerlingen met een speciale ondersteuningsbehoefte.1 De directeur van de betreffende school bepaalt of een leerling van een dergelijke aanpassing gebruik kan maken. Voor zeer moeilijk lerende leerlingen, meervoudig gehandicapte leerlingen of leerlingen die kort in Nederland zijn en de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, kan de directeur bepalen dat geen doorstroomtoets wordt afgenomen.2 Het schooladvies voor die leerlingen kan in dat geval niet bijgesteld worden naar aanleiding van de toetsuitslag.
Voor het centraal examen in het voortgezet onderwijs zijn aanvullende regels gesteld over het gebruik van hulpmiddelen bij examens.3 Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen hulpmiddelen. Er zijn algemene hulpmiddelen die iedere leerling mag gebruiken, zoals een rekenmachine of woordenboek. Daarnaast zijn er bijzondere hulpmiddelen voor leerlingen met een beperking. Hieronder vallen bijvoorbeeld aangepaste examens voor leerlingen met een visuele of auditieve beperking. De directeur of rector dient toestemming te geven voor het gebruik van een afwijkende vorm van examineren.4 De te gebruiken hulpmiddelen mogen niet afdoen aan de exameneisen.5 Het examen mag door het gebruik van hulpmiddelen dan ook niet eenvoudiger worden.
Net als in het voortgezet onderwijs zijn in het middelbaar beroepsonderwijs regels gesteld over het gebruik van hulpmiddelen bij centrale examens. Het gaat hier ook enerzijds om reguliere hulpmiddelen, zoals een woordenboek of rekenmachine, en anderzijds om bijzondere hulpmiddelen voor studenten met een beperking.6 De examencommissie bepaalt voor studenten met een beperking op welke wijze het examen wordt aangepast, hierbij moet in beginsel gebruikgemaakt worden van aangepaste centrale examens die zijn opgesteld door het CvTE.7 Ook kan de examencommissie de examencondities aanpassen, hieronder wordt onder meer verstaan het gebruik van aangepast meubilair, het onderbreken van het examen, het maken van het examen in een aparte ruimte of tijdverlenging.8
In het hoger onderwijs worden geen centrale examens afgenomen, ook is er geen ministeriële regeling die voorziet in de wijze waarop tentamens afgenomen worden. Het bevoegd gezag dient zelf in de Oer te regelen op welke wijze studenten met een handicap of chronische ziekte redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld tentamens af te leggen.9 Louw schrijft dat het voor de hand ligt dat in de Oer wordt bepaald dat de examencommissie in een concreet geval beslist op welke wijze het tentamen wordt aangepast.10