Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/10.3:10.3 Ius commune
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/10.3
10.3 Ius commune
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264470:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht van pandgebruik uit het ius commune stemde op veel punten overeen met het Romeinse recht. Ik ga slechts in op de verschillen en enkele bijzonderheden. De gebruiksbevoegdheid van de pandgebruiker stond in het ius commune in dienst van zijn plicht tot en recht van vruchttrekking. De pandgebruiker mocht gebruikshandelingen verrichten die vruchten voortbrachten.1 Voorts was hij bevoegd noodzakelijk en nuttig onderhoud te verrichten ten aanzien van het onderpand. Hij voldeed de gemaakte kosten uit de vruchtopbrengst van het onderpand. Pas als de vruchtopbrengst onvoldoende was, kon de pandgebruiker de pandhouder aanspreken met de actio pigneraticia contraria.2 De auteurs die ik voor het ius commune heb bestudeerd, besteedden geen aandacht aan het recht van zelfstandige antichrese. Wel waren er verschillende rechtsfiguren die de schuldeiser een bevoegdheid tot gebruik en vruchttrekking gaven. Bovendien kon een recht van pandgebruik in de praktijk sterk lijken op een zelfstandige antichrese. Dit deed zich voor als een pandrecht rustte op moeilijk overdraagbare goederen, of als partijen executiebevoegdheid van de pandhouder uitsloten.3
De objecten die naar Romeins recht populair waren voor pandgebruik, waren ook in het ius commune belangrijke objecten van pandgebruik. De pandgebruiker oefende het recht van pandgebruik op deze objecten uit op dezelfde wijze als in het Romeinse recht. Onroerende zaken waren de belangrijkste objecten voor pandgebruik.4 Anders dan ik voor het Romeinse recht heb geconcludeerd, stond voor het ius commune buiten twijfel dat de pandgebruiker huurvorderingen van een verpande onroerende zaak kon innen, ongeacht de rechtsverhouding waaruit zij voortvloeiden.5
Daarnaast kende het ius commune een nieuwe categorie goederen die ‘populair’ waren voor de vestiging van een recht van pandgebruik: leenrechten en heerlijke rechten op onroerende zaken. De pandgebruiker kon de aan hem verpande leenrechten en heerlijke rechten uitoefenen. Dit betekende dat hij niet alleen privaatrechtelijke bevoegdheden kon uitoefenen, maar ook publiekrechtelijke bevoegdheden. Op dit punt waren de bevoegdheden van de pandgebruiker ruimer dan onder het Romeinse recht. Een bijzondere toepassing hiervan was de verpanding van grondgebieden die een bestuurlijke eenheid vormden, zoals steden, graafschappen en hertogdommen. De executoriale verkoop van zulke grote grondgebieden was problematisch, zo niet onmogelijk. De pandgebruiker kon evenwel de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke bevoegdheden van de pandgever in deze grondgebieden uitoefenen. Hij kon bijvoorbeeld huur innen, maar ook belastingen en leges heffen en innen.6
Het recht van pandgebruik kon naar ius commune dezelfde functies hebben als in het Justiniaanse Romeinse recht. Als partijen geen afspraken hadden gemaakt over de functie van het recht van pandgebruik, had het een aflossingsfunctie.7 De rentefunctie was in de middeleeuwse rechtspraktijk echter het gangbaarst. Op het recht van pandgebruik met rentefunctie waren de gemeenrechtelijke rentemaxima en het canonieke renteverbod van toepassing. Toch was het recht van rentepandgebruik een populaire manier om geld uit te lenen tegen een rentevergoeding. De pandgebruiker had bij een rentefunctie het vooruitzicht op een rendement van mogelijk 15% van de gesecureerde vordering per jaar. Dit rendement was zo hoog, dat financiers de terugbetaling van de gesecureerde vordering in de leningsvoorwaarden bemoeilijkten.8
Het recht van pandgebruik voorzag naar ius commune in de behoefte aan zekerheid op goederen die wel een hoge vruchtopbrengst genereerden, maar zich niet goed leenden voor executoriale verkoop. Het recht van zelfstandige antichrese voorzag in het Romeinse recht ook al in deze behoefte. In het ius commune was de behoefte aan zekerheid op moeilijk overdraagbare goederen wellicht nog groter dan in het Romeinse recht. Onroerende zaken, heerlijke rechten en leenrechten waren immers vaak moeilijk overdraagbaar, maar genereerden een hoge vruchtopbrengst. Dankzij het recht van pandgebruik waren deze goederen aantrekkelijke zekerheidsobjecten. Daarnaast voorzag het recht van pandgebruik met rentefunctie in het bijzonder in de behoefte van financiers om geld uit te lenen tegen een rentevergoeding.