Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/10.4:10.4 Rooms-Hollands recht
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/10.4
10.4 Rooms-Hollands recht
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264444:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Rooms-Hollandse recht van pandgebruik vertoonde nauwelijks verschillen met het ius commune. Wel bestond in het Rooms-Hollandse recht aandacht voor de zelfstandige antichrese.1 Voorts had de pandgebruiker in het Rooms-Hollandse recht ruimere verplichtingen dan onder het Romeinse recht. Hij trad niet alleen in de rechten van de pandgever, maar ook in zijn verplichtingen.2 Daarnaast bestond in het Rooms-Hollandse recht aandacht voor het recht van pandgebruik op roerende zaken en vorderingen. Zo kon de pandhouder van roerende zaken een recht van pandgebruik uitoefenen door deze zaken te verhuren. Hij liep dan wel het risico zijn pandrecht te verliezen op grond van het adagium mobilia non habent sequelam ex causa hypotheca.3 Voorts was het mogelijk om een recht van pandgebruik te vestigen op een vordering.4 Deze mogelijkheid bestond wellicht ook naar Romeins recht, maar dit vindt geen uitdrukkelijke bevestiging in het Corpus Iuris Civilis.5
In het Rooms-Hollandse recht bestond discussie over de kwestie welke functie een stilzwijgend recht van pandgebruik had.6 De meerderheidsopvatting was dat een stilzwijgend recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had. Dit was ook zo onder het Romeinse recht en het ius commune. In het Rooms-Hollandse recht bestond, net als in het geleerde recht, veel aandacht voor de gebruiksplicht van de pandgebruiker. Verschillende juristen gaven in literatuur, contracten en adviezen antwoord op de vraag wanneer de pandhouder aan zijn gebruiksplicht had voldaan.7 De pandgebruiker was aansprakelijk voor een te lage vruchtopbrengst als zij was ontstaan door zijn opzet, zware schuld of normale schuld. In dat geval kwam de opbrengst die de pandhouder had moeten realiseren in mindering op de gesecureerde vordering, en niet het lagere bedrag dat de pandhouder in werkelijkheid had gerealiseerd.
In de Codificatieperiode van 1798 tot 1811 ondernam de Nederlandse wetgever verschillende pogingen om het recht van pandgebruik op te nemen in een codificatie. Het Ontwerp-Kreet, het Ontwerp-Van der Linden en Nederlands eerste codificatie, het WNH, bevatten een regeling voor het recht van pandgebruik dat was gecombineerd met een pandrecht. Deze regelingen sloten inhoudelijk aan bij het Rooms-Hollandse recht. Zij bevatten evenwel geen regeling voor een zelfstandige antichrese.8