Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.7.2
4.7.2 Montedison: conclusie A-G Langemeijer en arrest Hoge Raad
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS304846:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 2.46 van zijn conclusie.
Zie onderdeel 2.47 van de betreffende conclusie.
Bulten en Leijten 2013, p. 168 achten dat argument weinig overtuigend, aangezien de bestuurder van een vennootschap er met zijn handelen zelf voor zorgt dat de vennootschap waarvan hij bestuurder is een (mede-)beleidsbepaler wordt van een rechtspersoon. Het handelsregister heeft daar naar hun mening niet veel mee van doen. Dat laatste is juist. Mijns inziens is het argument van A-G Langemeijer in zijn algemeenheid echter wel degelijk steekhoudend. Ook medebestuurders bijvoorbeeld kunnen er met hun handelen voor zorgen dat de vennootschap waarvan zij bestuurders zijn een (mede-)beleidsbepaler wordt.
r.o. 4.14.
Zie ook De Valk 2009, p. 239-240.
Dings 2006, nr. 12.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 7 augustus 2007, JOR 2007, 297; JIN 2007, 71, r.o. 6.
Gerechtshof Leeuwarden 16 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8130 (AABO Trading), r.o. 5.4.
A-G Langemeijer wijst erop dat het Hof ten overvloede heeft overwogen dat art. 2:11 BW – anders dan art. 2:248 lid 7 BW – niet voorziet in een gelijkstelling van een (mede-)beleidsbepaler met een bestuurder.1 De A-G merkt op dat – uitsluitend afgaande op de tekst van beide artikelen – het Hof gelijk heeft. In art. 2:11 BW staat niet wat in art. 2:248 lid 7 BW staat. De A-G wijst erop dat voor de visie van het Hof steun is te vinden in de literatuur.
De A-G merkt tevens op dat in dissertaties is voorgesteld de betekenis die in art. 2:11 BW moet worden gegeven aan het begrip “bestuurder” af te laten hangen van de betekenis die in de toe te passen aansprakelijkheidsbepaling aan dat begrip moet worden gegeven. Wanneer in art. 2:248 BW de term “bestuurder” mede de (mede-)beleidsbepaler omvat, zou deze uitbreiding doorwerken in de bepaling van art. 2:11 BW.2 Volgens de A-G biedt deze zienswijze het voordeel dat misbruik van rechtspersonen door natuurlijke personen gemakkelijker kan worden tegengegaan. Desondanks komt het hem voor dat de rechtszekerheid hier het zwaarst dient te wegen. Het gaat om een uitbreiding van de wettelijke aansprakelijkheid met vergaande consequenties. Bij onduidelijkheid omtrent de wil van de wetgever tot uitbreiding van deze aansprakelijkheid past volgens de A-G een terughoudende interpretatie. Volgens de A-G komt daarbij dat het voor een bestuurder van een vennootschap betrekkelijk gemakkelijk is via het handelsregister na te gaan van welke rechtspersonen deze vennootschap formeel bestuurder is. Het is veel moeilijker na te gaan van welke rechtspersonen deze vennootschap (mede-)beleidsbepaler is.3 De rechtvaardiging voor de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-formeel bestuurder is dus niet zonder meer gelijk aan die van een bestuurder van een rechtspersoon-(mede-)beleidsbepaler.
De Hoge Raad overweegt dat in art. 2:11 BW geen verdere uitbreiding is gegeven van de aansprakelijkheid tot degene die het beleid van de aansprakelijke rechtspersoon heeft bepaald of mede heeft bepaald.4 Ons hoogste rechtscollege voegt daaraan toe dat weliswaar in art. 2:138/248 lid 7 BW de in de eerste leden van art. 2:138/248 BW gegeven aansprakelijkheid van bestuurders van naamloze en besloten vennootschappen in geval van faillissement is uitgebreid tot degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, maar dat deze uitbreiding daar uitdrukkelijk is beperkt tot de toepassing van deze artikelen. De Hoge Raad overweegt dat er geen grond is deze uitbreiding bij wege van analogie ook van toepassing te achten in de gevallen waarop art. 2:11 BW betrekking heeft.5 De Hoge Raad oordeelt met andere woorden dat art. 2:11 BW niet kan worden gebruikt om bestuurders van rechtspersonen-(mede-)beleidsbepalers aansprakelijk te houden.6 Het Gerechtshof ’s-Gravenhage overweegt na verwijzing (ten overvloede) ten aanzien van de vorderingen van de curator tegen de bestuurders van Montedison dat – voor zover deze vorderingen zijn gebaseerd op de stelling dat zij als bestuurders van Montedison in haar (gestelde) positie van (mede-)beleidsbepaler ingevolge art. 2:11 BW aansprakelijk zijn – zij niet kunnen worden toegewezen. De reden daarvoor is dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 2:11 BW geen aansprakelijkheid legt op de bestuurders van de rechtspersoon die niet de bestuurder, maar (mede-)beleidsbepaler van de aansprakelijke rechtspersoon is.7
In een arrest uit 2013 van het Gerechtshof Leeuwarden8 treft men een bevestiging aan van het Montedison-arrest. Het Gerechtshof merkt namelijk op dat in laatstgemeld arrest de Hoge Raad het bereik van art. 2:11 BW beperkt heeft uitgelegd door te beslissen dat de aansprakelijkheid die art. 2:11 BW op de bestuurder van de aansprakelijke rechtspersoon legt, alleen op de formele bestuurder rust en niet op degene die (mede) het beleid van de aansprakelijke rechtspersoon heeft bepaald.