Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/6.4
6.4 Redelijkheid en billijkheid
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491155:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748; HR 17 mei 2013,ECLI:NL:HR:2013:CA0356; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749; HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7362; HR 7 december 1990,ECLI:NL:HR:1990:ZC0071(Onwaardige deelgenoot); HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271(Boon/Van Loon); HR 16 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4134(Katwijkse boedelscheiding); HR 12 mei 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC2476(Megerzicht); HR 23 december 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC4615 (Hendriksen/Maatkamp); HR 9 mei 1952, ECLI:NL:HR:1952:280; HR 20 december 1946, ECLI:NL:HR:1946:109 (Ervengemeenschap); Asser/Perrick 3-V 2019/10, 107; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9)/1.13, 1.14.
HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071(Onwaardige deelgenoot).
65. De redelijkheid en billijkheid kunnen ook invloed hebben op de rechten en verplichtingen van een deelgenoot (vgl. art. 3:166 lid 3 BW).1 Zij kunnen daarom van betekenis zijn voor de vraag of iemand een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben.
Een voorbeeld is de casus van het Onwaardige deelgenoot-arrest.2 Een man en een vrouw huwen in gemeenschap van goederen. De – aanzienlijk jongere – man had de vrouw voorafgaand aan het huwelijk tegen betaling verpleegd en verzorgd. De man had vrijwel geen vermogen; de vrouw was goed bedeeld. De man had bij het aangaan van het huwelijk het oogmerk het vermogen van de vrouw te verwerven. Op dat moment, of althans kort daarna, had hij het voornemen de vrouw om het leven te brengen.
Nadat de man de vrouw had vermoord, rees de vraag of hij aanspraak kon maken op de helft van de – door het overlijden van de vrouw – ontbonden huwelijksgemeenschap. Niet dan in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen, dat op grond van de redelijkheid en billijkheid mag worden afgeweken van de regel dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (art. 1:100 lid 1 BW), aldus de Hoge Raad. Hij laat het oordeel van het hof in stand dat de man geen aanspraak heeft op de helft van de huwelijksgemeenschap.
A en B zijn ieder voor de helft gerechtigd tot een beperkt recht en een moederrecht. Op grond van de redelijkheid en billijkheid heeft A echter bij de verdeling van het moederrecht aanspraak op toedeling van het volledige moederrecht. In dat geval kan B aan het beperkte recht bevoegdheden ontlenen, die hij niet heeft op grond van zijn onverdeeld aandeel in het moederrecht. Daarom blijft het beperkte recht voortbestaan.