Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/6.1:6.1 Inleiding
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491136:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/605, 614; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/173, 204; Land II 1901, p. 280; Diephuis VI 1886, p. 498-499. Zie ook: concl. P-G T.J. Noyon voor HR 3 december 1909, W 8940. Vgl. Opzoomer 3-II 1912, p. 769.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
59. A en B hebben gezamenlijk een recht van erfpacht op een stuk grond. Gaat de erfpacht door vermenging teniet als A en B gezamenlijk de eigendom van de grond verkrijgen? Kunnen mede-eigenaars van een stuk grond een recht van erfpacht op de grond vestigen ten gunste van één van hen? Is daarbij relevant of voor het beperkte recht of het moederrecht een beheersregeling (art. 3:168 BW) geldt?
In dit hoofdstuk wordt onderzocht in welke gevallen een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben, als twee of meer personen gezamenlijk zijn gerechtigd tot het beperkte recht en/of het moederrecht. Daarvoor gebruik ik het in hoofdstuk 4 geformuleerde belang-criterium: in welke gevallen bestaat belang bij een beperkt recht op een eigen zaak? Daarnaast onderzoek ik of de aldus verkregen uitkomsten passen in het systeem van het recht.
De wet en de parlementaire geschiedenis geven geen aanwijzingen hoe moet worden bepaald of een beperkt recht door vermenging tenietgaat, als twee of meer personen zijn gerechtigd tot het beperkte recht en/of het moederrecht. Volgens de literatuur gaat een beperkt recht niet door vermenging teniet, als iemand mede-gerechtigd is tot een zaak en hij tevens een beperkt recht heeft op die zaak.1 Verder kan iemand volgens art. 5:118 en 4:29 BW een beperkt recht hebben op een zaak waarvan hij mede-eigenaar is (zie §2.3).
Welke rechten iemand kan ontlenen aan een goed waartoe hij gezamenlijk met één of meer anderen is gerechtigd, wordt bepaald door de volgende factoren:
de omvang van zijn onverdeeld aandeel (breukdeel) in de gemeenschap;
de inhoud van een eventuele wettelijke regeling of beheersregeling (art. 3:168 BW); en
de redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW).
Kunnen aan het beperkte recht geen bevoegdheden worden ontleend, die iemand niet tevens toekomen op grond van het eigendomsrecht, dan bestaat geen belang bij het beperkte recht. In dat geval gaat het beperkte recht door vermenging teniet, en kan het ook niet worden gevestigd. Dat is gebleken in hoofdstuk 4.