Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/6.2
6.2 Omvang onverdeeld aandeel
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491121:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Perrick 3-V 2019/8, 107; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/1.13, 5.40. Vgl. HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1393; HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749; HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7362; HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/438.
Vgl. Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/605, 614; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/173, 204; Asser/Beekhuis 3-II 1990/212; Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1987, p. 289; Land II 1901, p. 280; Diephuis VI 1886, p. 498-499; rb. Den Haag 5 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7241, r.o. 4.6. Vgl. ook: concl. P-G T.J. Noyon voor HR 3 december 1909, W 8940; Opzoomer 3-II 1912, p. 769. Vgl. voor het Romeinse recht: D. 8.3.19; D. 8. 8.3.27.
Zie §2.3.2.
Aangenomen dat voor de eigendom en de erfpacht geen bijzondere wettelijke regeling of beheersregeling geldt. En dat de redelijkheid en billijkheid geen verandering brengen in de rechten en verplichtingen van de deelgenoten.
Aangenomen dat voor de eigendom en de erfpacht geen bijzondere wettelijke regeling of beheersregeling geldt. En dat de redelijkheid en billijkheid geen verandering brengen in de rechten en verplichtingen van de deelgenoten.
60. De omvang van iemands onverdeeld aandeel (breukdeel) in een gemeenschappelijk goed, bepaalt onder andere welke aanspraak hij in beginsel heeft op het goed bij de verdeling van de gemeenschap. Daarom is de omvang van het aandeel bepalend voor de beantwoording van de vraag welke rechten iemand kan ontlenen aan zijn onverdeeld aandeel in een gemeenschappelijk goed. De verdeling geschiedt in beginsel met inachtneming van de omvang van de aandelen van de deelgenoten.1 Als bijvoorbeeld A, B en C ieder voor een derde deel zijn gerechtigd tot een woning met een waarde van € 300.000, en de woning wordt bij de verdeling toegedeeld aan A, dan hebben B en C ieder een onderbedelingsvordering van € 100.000 op A.
Verder is de omvang van de onverdeelde aandelen van betekenis voor de vruchten en andere voordelen die toekomen aan de deelgenoten, voor hun bijdrageplicht aan uitgaven die ten behoeve van de gemeenschap zijn gemaakt (art. 3:172 BW), en voor de betaling van schadevergoeding (art. 3:188 BW). Wel is iedere deelgenoot in beginsel bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is (art. 3:169 BW). De deelgenoten zijn in beginsel ook ieder afzonderlijk bevoegd tot het verrichten van handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van het goed, en tot andere handelingen die geen uitstel kunnen lijden (art. 3:170 lid 1 BW). Voor het overige zijn de deelgenoten in beginsel gezamenlijk bevoegd tot het beheer van het goed (art. 3:170 lid 2 BW). Tot andere handelingen zijn de deelgenoten uitsluitend tezamen bevoegd (art. 3:170 lid 3 BW).
Dit betekent dat de omvang van iemands onverdeeld aandeel (breukdeel) in een goed, bepalend is voor de bevoegdheden die hij kan ontlenen aan dat goed. Om die reden is de omvang van iemands aandeel, relevant voor de beantwoording van de vraag of hij een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben.2 Zo kan worden verklaard dat volgens art. 4:29 BW de echtgenoot van een erflater, een recht van vruchtgebruik kan hebben op goederen waarvan hij mede-eigenaar is.3 De echtgenoot kan meer bevoegdheden ontlenen aan het vruchtgebruik dan aan de eigendom. Hij is de enig gerechtigde van het vruchtgebruik, terwijl hij (slechts) mede-eigenaar is van de bezwaarde zaak.
Een ander voorbeeld. A, B en C hebben ieder een onverdeeld aandeel van een derde in de eigendom van een stuk grond. Zij verkrijgen gezamenlijk een recht van erfpacht op die grond. A heeft een onverdeeld aandeel in de erfpacht van de helft. B en C hebben in de erfpacht ieder een onverdeeld aandeel van een kwart. A kan aan zijn aandeel in de erfpacht méér bevoegdheden ontlenen dan aan zijn aandeel in de eigendom, omdat zijn aandeel in de erfpacht groter is. Hij heeft daarom belang bij het erfpachtrecht. Om die reden blijft de erfpacht voortbestaan.4 Als A, B en C ieder een onverdeeld aandeel van een derde in de erfpacht verkrijgen, dan bestaat geen belang bij het recht van de erfpacht. Zij kunnen aan de erfpacht niet méér bevoegdheden ontlenen dan aan hun eigendomsrecht. De erfpacht gaat in dit laatste geval door vermenging teniet.5