HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1213.
HR, 25-11-2025, nr. 23/04942
ECLI:NL:HR:2025:1781
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
23/04942
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1781, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:962
ECLI:NL:PHR:2025:962, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1781
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑09‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0363
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. verkrachting (meermalen gepleegd), art. 242 (oud) Sr. Dubbel verstek. Ontvankelijkheid hoger beroep, als appelschriftuur aangemerkt e-mailbericht van raadsman die zich vervolgens heeft onttrokken, waarna verdachte niet heeft aangegeven door deze raadsman ingediende grief en onderzoekswensen te willen handhaven. Niet-ontvankelijkverklaring van het door verdachte ingestelde h.b. is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat hof de door advocaat verstuurde e-mail heeft aangemerkt als schriftuur houdende grieven en dat uit stukken niet volgt dat verdachte de betreffende bezwaren niet wilde handhaven (vgl. HR:2015:1495). Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04942
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2023, nummer 21-002497-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten M.M. Kuyp en J.L. Baar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
2.2.1
Het procesverloop in hoger beroep is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 en 2.3.
2.2.2
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken.
Daarbij overweegt het hof nog het volgende. Door of namens de verdachte is niet binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven ex artikel 410 lid 1 Wetboek van Strafvordering ingediend. In hoger beroep hebben zich meerdere raadslieden namens verdachte gesteld en zich vervolgens weer onttrokken.
Namens verdachte is door de derde raadsman die zich heeft gesteld, mr. [betrokkene 1] , op 5 oktober 2022 een email verzonden naar het hof waarin de raadsman het hof bericht dat het hoger beroep zich richt tegen de bewezenverklaring. Ook stonden in deze email onderzoekswensen en een aankondiging dat daar nog een nadere toelichting op zou kunnen volgen. De verdediging was bovendien nog op zoek naar een eigen DNA-deskundige. De raadsman heeft zich vervolgens op 11 januari 2023 onttrokken. De raadsman die zich nadien namens de verdachte heeft gesteld (en vervolgens weer heeft onttrokken) heeft zich niet meer uitgelaten over de bewuste email van mr. [betrokkene 1] van 5 oktober 2022.
Verdachte heeft er zelf ook geen blijk van gegeven, nadat mr. [betrokkene 1] zich als zijn raadsman had onttrokken, de door deze raadsman ingediende grief en onderzoekswensen te willen handhaven. Ter terechtzitting van 4 december 2023 is verdachte niet verschenen om alsnog mondeling op de voet van artikel 416 lid 1 Wetboek van Strafvordering zijn bezwaren op te geven. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.”
2.3
Artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering luidt:
“Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
2.4
De niet-ontvankelijkverklaring van het door de verdachte ingestelde hoger beroep is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het hof de door de advocaat [betrokkene 1] verstuurde e-mail van 5 oktober 2022 heeft aangemerkt als een schriftuur houdende grieven en dat uit de stukken niet volgt dat de verdachte de betreffende bezwaren niet wilde handhaven (vgl. HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1495).
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep o.g.v. art. 416 lid 2 Sv. Raadsman verdachte stuurt e-mail met grief naar hof. Middel over beslissing hof om verdachte niet-ontvankelijk te verklaren omdat raadsman zich na sturen e-mail heeft onttrokken aan verdediging, opvolgend raadsman zich niet heeft uitgelaten over e-mail, en verdachte er geen blijk van heeft gegeven grief te handhaven. AG meent dat klacht terecht is voorgesteld. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04942
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 4 december 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 mei 2021. In dit vonnis is de verdachte wegens “verkrachting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. Zijn advocaten, M.M. Kuyp en J.L. Baar, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het cassatiemiddel
2.1
Het middel komt op tegen de beslissing van het hof om de verdachte met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Volgens het middel is het hof in de eerste plaats ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat door de verdachte grieven zijn opgegeven in zijn e-mails van 21 en 26 mei 2021 aan de griffie van de rechtbank. In de tweede plaats wordt geklaagd over het oordeel van het hof, dat de grief in een e-mail van de advocaat mr. [betrokkene 1] van 5 oktober 2022 niet aan de niet-ontvankelijkverklaring in de weg staat, nu de verdachte er geen blijk van heeft gegeven die grief te handhaven.
2.2
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang:
(i) De verdachte is door de rechtbank Gelderland bij vonnis van 18 mei 2021 bij verstek veroordeeld.
(ii) Op 21 mei 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld door een griffiemedewerker van de rechtbank. Aan de akte van instellen hoger beroep, is een e-mail van 21 mei 2021 van de verdachte aan de griffie gehecht, die door een griffiemedewerker is opgevat als een machtiging tot het instellen van dat hoger beroep. De e-mail houdt het volgende in:
“Ik ben het met de uitspraak van de kamer niet eens en ik zou graag mijn kant van het verhaal nog willen toelichten. Hierbij deel ik u mee dat ik graag in hoger beroep wil.”
Aan de akte is een tweede e-mail aan de griffie van de rechtbank gehecht, van 26 mei 2021, met dezelfde inhoud. De afsluiting van deze e-mail vermeldt niet een naam van de afzender. Maar nu de e-mail is verzonden met hetzelfde e-mailadres als de e-mail van 21 mei 2021, en de tekst gelijkluidend is, kan ervan worden uitgegaan dat ook deze e-mail afkomstig is van de verdachte.
(iii) In hoger beroep hebben terechtzittingen plaatsgevonden op 18 mei 2022 en 13 september 2022. Op die zittingen is de verdachte noch een advocaat namens hem verschenen. Op beide zittingen is het onderzoek ter terechtzitting geschorst na een aanhoudingsverzoek dat door of namens de verdachte voorafgaand aan de zitting was gedaan. Na de laatstgenoemde terechtzitting van 13 september 2022 heeft de hiernavolgende e-mailcorrespondentie tussen een medewerker van het gerechtshof en de toenmalige raadsman van de verdachte mr. [betrokkene 1] plaatsgevonden.
Het gaat om een e-mail van een medewerker van het gerechtshof namens de ‘poortraadsheer’ van 29 september 2022 aan de advocaat mr. [betrokkene 1] , en een reactie per e-mail van mr. [betrokkene 1] van 5 oktober 2022. Deze e-mailcorrespondentie luidt als volgt.
De e-mail van het hof van 29 september 2022:
“Geachte heer [betrokkene 1] ,
Bovengenoemde zaak is binnengekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Teneinde een voortvarende inhoudelijke behandeling te bevorderen en aanhouding van de zaak te voorkomen, wenst het hof van de procespartijen te vernemen wat de inzet van het ingestelde hoger beroep is en of er onderzoekswensen bestaan. De poortraadsheer zal op de verzoeken beslissen.
Indien de poortraadsheer een positieve beslissing neemt op een verzoek om(een) getuige(n) te horen, dan zal een raadsheer uit de betrokken strafkamer, voorafgaand aan de strafzitting, de getuige(n) horen als gedelegeerd raadsheer-commissaris.
Alvorens de inhoudelijke behandeling van de zaak te plannen verzoek ik u
1. aan te geven of u onderzoekswensen heeft,
2. aan te geven of u er, bij een positieve beslissing van de poortraadsheer op een verzoek tot het horen van (een) getuige(n), bezwaar tegen heeft deze getuige(n) te laten horen door een raadsheer uit de strafkamer die deze strafzaak gaat behandelen, voorafgaand aan de zitting,
3. aan te geven of het een strafmaatappel betreft dan wel dat verdachte zich op het standpunt stelt dat hij ten onrechte is veroordeeld en
4. op te geven hoeveel tijd u verwacht nodig te hebben voor uw pleidooi bij de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Op basis van de door u te verstrekken informatie en de reactie daarop van de advocaat-generaal zal de poortraadsheer bepalen of een onderzoek voorafgaand aan de zitting gestart moet worden.
(…)”
En de reactie van mr. [betrokkene 1] van 5 oktober 2022:
“Geachte [betrokkene 2] ,
Wij hadden een eerste overleg met cliënt. Voortgaand op de mail van mijn kantoorgenote [betrokkene 3] bericht ik u dat cliënt de verweten gedraging ontkent en het derhalve geen strafmaatappel betreft. Verder bericht ik u dat wij onderzoekswensen hebben. Wij hebben in ieder geval behoefte aan deskundigenonderzoek naar het DNA-materiaal. Wij zijn nog doende een deskundige te vinden. Daarnaast hebben wij de wens om aangeefster als getuige te horen. Dit kan wat ons betreft plaatshebben door een raadsheer uit de kamer. Mijn ervaring is dat een pleidooi in dit soort zaken ongeveer een tot anderhalf uur zal beslaan, maar ik kan niet uitsluiten dat dit in deze zaak naar gelang de uitkomsten van het nadere onderzoek meer tijd vergt. Verder willen wij graag in de gelegenheid worden gesteld de auditieve opnamen van alle verhoren en het informatieve gesprek uit te luisteren, alsmede de 112 melding. Het zou fijn zijn als wij dit op het hoofdbureau te Amsterdam zouden kunnen doen (dat deden wij in andere zaken ook zo en scheelde veel reistijd). Indien voorafgaande ertoe leidt dat een regiezitting gewenst is, dan zijn wij uiteraard graag bereid hiervoor naar [plaats] af te reizen. Ook een nadere motivering, indien gewenst, kunnen wij u op korte termijn (wij spreken cliënt ultimo volgende week uitgebreider) sturen. Ik kan mij ook voorstellen dat de zaak open wordt verwezen naar een rechter- of raadsheer-commissaris om op deze punten te beslissen en hieraan uitvoering te geven. (…)”
2.3
Vervolgens heeft een terechtzitting plaatsgevonden op 4 december 2023. Het proces-verbaal van die zitting houdt het volgende in.
“De verdachte genaamd:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
(…)
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De voorzitter merkt op, zakelijk weergegeven:
Op 22 november 2023 heeft mr. [betrokkene 4] zich gesteld als raadsman van verdachte. Hij heeft verzocht om aanhouding. Dit aanhoudingsverzoek is door het hof niet op voorhand toegewezen. Op 29 november 2023 heeft de raadsman zich onttrokken. Sindsdien heeft het hof niets vernomen van of namens verdachte.
De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:
Er is geen appelschriftuur ingediend. De zaak is niet eerder op een zitting behandeld. De grieven zijn onduidelijk. Ik vorder dat het hof de verdachte, zonder verder onderzoek van de zaak, niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu de verdachte geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van de politierechter.
De voorzitter merkt op, zakelijk weergegeven:
Er is door een eerdere raadsman van verdachte, mr. [betrokkene 1] , op 5 oktober 2022 medegedeeld dat de verdediging onderzoekswensen heeft.
De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:
Deze raadsman heeft zich ook onttrokken. Er blijkt onvoldoende wat het bezwaar is tegen het vonnis. De advocaat-generaal legt de vordering aan het hof over.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.”
2.4
Het hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep als volgt gemotiveerd:
“Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken.
Daarbij overweegt het hof nog het volgende.
Door of namens de verdachte is niet binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven ex artikel 410 lid 1 Wetboek van Strafvordering ingediend. In hoger beroep hebben zich meerdere raadslieden namens verdachte gesteld en zich vervolgens weer onttrokken.
Namens verdachte is door de derde raadsman die zich heeft gesteld, mr. [betrokkene 1] , op 5 oktober 2022 een email verzonden naar het hof waarin de raadsman het hof bericht dat het hoger beroep zich richt tegen de bewezenverklaring. Ook stonden in deze email onderzoekswensen en een aankondiging dat daar nog een nadere toelichting op zou kunnen volgen. De verdediging was bovendien nog op zoek naar een eigen DNA-deskundige. De raadsman heeft zich vervolgens op 11 januari 2023 onttrokken. De raadsman die zich nadien namens de verdachte heeft gesteld (en vervolgens weer heeft onttrokken) heeft zich niet meer uitgelaten over de bewuste email van mr. [betrokkene 1] van 5 oktober 2022.
Verdachte heeft er zelf ook geen blijk van gegeven, nadat mr. [betrokkene 1] zich als zijn raadsman had onttrokken, de door deze raadsman ingediende grief en onderzoekswensen te willen handhaven. Ter terechtzitting van 4 december 2023 is verdachte niet verschenen om alsnog mondeling op de voet van artikel 416 lid 1 Wetboek van Strafvordering zijn bezwaren op te geven. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.”
3. Juridisch kader
3.1
Bij de beoordeling van de klachten van het cassatiemiddel kunnen de volgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn uitspraak van 2 september 20251.tot uitganspunt worden genomen.
“Op grond van artikel 410 lid 1 Sv moet een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg bevatten. Ook een volmacht tot het instellen van het hoger beroep kan dergelijke grieven bevatten. Onder ‘grieven’ kunnen zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Dit geldt ook voor de in artikel 416 leden 1 en 2 Sv genoemde mondelinge ‘bezwaren tegen het vonnis’. (Vgl. HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251.) Aan de formulering van de grieven - die ook door de verdachte zelf kunnen worden ingediend - worden geen hoge eisen gesteld (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rechtsoverweging 2.40). Wel moeten de opgegeven grieven of mondelinge bezwaren voldoende duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is.”
4. Bespreking van het middel
4.1
Als eerste wordt erover geklaagd dat het hof de hiervoor onder 2.2 (ii) bedoelde e-mails van de verdachte niet als ‘schriftuur houdende grieven’ heeft aangemerkt.
4.2
Uit de hiervoor weergegeven overweging van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat ook een volmacht tot het instellen van het hoger beroep grieven kan bevatten. Daarbij kan het ook gaan, zo blijkt uit eerdere rechtspraak, om een e-mail van de verdachte die niet voldoet aan alle eisen die art. 450 Sv aan een volmacht stelt, maar die wel als een volmacht aan de griffiemedewerker moet worden opgevat.2.De e-mail van de verdachte van 21 mei 2022 aan de griffie van de rechtbank met de wens om in hoger beroep te gaan, zou in beginsel dus grieven kunnen bevatten. Bovendien heeft de verdachte op 26 mei 2022 de e-mail een tweede keer gestuurd nádat het hoger beroep feitelijk was ingesteld door de griffiemedewerker. Die twee e-mails bevatten, zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven, de volgende tekst:
“Ik ben het met de uitspraak van de kamer niet eens en ik zou graag mijn kant van het verhaal nog willen toelichten. Hierbij deel ik u mee dat ik graag in hoger beroep wil.”
4.3
Het hof is in zijn uitspraak niet ingegaan op deze e-mails. De vraag of hierin voldoende duidelijk is gemaakt wat de inzet van het hoger beroep is, kan mijns inziens echter in het midden blijven3.omdat het hof in zijn overwegingen om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep wel aandacht heeft besteed aan de hiervoor onder 2.2 (iii) weergegeven e-mail van 5 oktober 2022 van de toenmalige (derde opvolgende) advocaat van de verdachte. Die e-mail van de raadsman is gevolgd op een verzoek namens de ‘poortraadsheer’ van het gerechtshof om onder meer kenbaar te maken “wat de inzet van het ingestelde hoger beroep is” en “of het een strafmaatappel betreft dan wel dat verdachte zich op het standpunt stelt dat hij ten onrechte is veroordeeld.” De raadsman heeft geantwoord dat “cliënt de verweten gedraging ontkent en het derhalve geen strafmaatappel betreft”.
4.4
Het hof is er in zijn overwegingen kennelijk van uitgegaan dat de e-mail van de raadsman kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 416 lid 2 Sv, in mijn ogen terecht. Ook schrifturen die zijn ingediend buiten de termijn van 14 dagen na het instellen van het hoger beroep en/of met het oog op een naderende terechtzitting bij de griffie van het hof, zullen als een namens de verdachte ingediende schriftuur houdende grieven in aanmerking moeten worden genomen.4.De e-mail van de raadsman dient mijns inziens met zo’n laatste geval worden gelijkgesteld. Weliswaar is de e-mail niet ingediend met het oog op een nadere, al bepaalde terechtzitting, maar de e-mail is wel gevolgd op de uitdrukkelijk vraag vanuit het gerechtshof om de bezwaren tegen het vonnis kenbaar te maken met het oog op de inhoudelijke behandeling van de zaak.
4.5
Het hof heeft de daarin vervatte mededeling dat het hoger beroep was gericht tegen de bewezenverklaring dus terecht aangemerkt als “grief”5., maar daarin geen beletsel gezien toepassing te geven aan art. 416 lid 2 Sv. Bij die beslissing heeft het hof betrokken dat mr. [betrokkene 1] zich enige tijd na de e-mail heeft onttrokken aan de verdediging, een opvolgend raadsman (die zich later eveneens heeft onttrokken) zich niet heeft uitgelaten over de e-mail van mr. [betrokkene 1] en de verdachte er zelf geen blijk van heeft gegeven de grief te willen handhaven. Deze motivering kan mijns inziens de beslissing van het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep niet dragen.
4.6
Art. 416 lid 2 Sv biedt de mogelijkheid om het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren, maar beperkt die mogelijkheid tot het geval er op de terechtzitting in hoger beroep geen mondelinge bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en er geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Dat laatste is in onderhavige zaak wel gebeurd en dat heeft het hof ook aangenomen. In de praktijk komt het geregeld voor dat de advocaat die de appelschriftuur heeft ingediend, daarna de verdediging neerlegt en/of op zitting te kennen moet geven niet (meer) gemachtigd te zijn in hoger beroep de verdediging te voeren. Daarmee herleeft echter niet zonder meer de mogelijkheid om op grond van art. 416 lid 2 Sv het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren. In het algemeen is ook niet vereist dat de verdachte in zo’n geval nog eens bevestigt dat hij de ingediende grieven handhaaft. De niet ontvankelijkheid op grond van art. 416 lid 2 Sv kan wel weer in beeld komen, als blijkt dat de verdachte de grieven niet wenst te handhaven.6.
4.7
In dit geval kent de zaak een bijzonder procesverloop, waarbij vier advocaten achtereenvolgens de verdediging hebben opgepakt en weer hebben neergelegd. Dat heeft bij het hof wellicht vragen opgeroepen over de verstandhouding tussen de verdachte en zijn advocaten, en over de bedoeling van de verdachte met het hoger beroep. Maar niet blijkt, dat het hof van oordeel was dat niet vaststond dat mr. [betrokkene 1] gemachtigd was door middel van zijn e-mail grieven in te dienen bij het hof. Evenmin heeft het hof vastgesteld dat was gebleken dat de verdachte de grieven niet wenste te handhaven. Gelet hierop, bracht het gegeven dát een schriftuur houdende grieven was ingediend mee, dat de mogelijkheid toepassing te geven aan art. 416 lid 2 Sv niet meer open stond. Door bevestiging te verlangen dat de verdachte na het neerleggen door de verdediging door mr. [betrokkene 1] de grief wel handhaafde, heeft het hof een te strenge eis gesteld. De omstandigheid dat de advocaat die mr. [betrokkene 1] heeft opgevolgd zich niet heeft uitgelaten over de e-mail van mr. [betrokkene 1] maakt dat niet anders.
5. Slotsom
5.1
Het middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025
HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1645.
Daaraan kan wel worden getwijfeld, zie HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1213.
Vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1480.
Vgl. HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1415, waarin het ging om een door de raadsman van de verdachte naar het hof gezonden faxbericht (“h.b. is gericht tegen bewezenverklaring en strafmaat”).
Vgl. HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1495.
Beroepschrift 18‑09‑2024
Cassatieschriftuur |
Houdende één middel tot cassatie |
Hoge Raad der Nederlanden (Strafkamer)
Digitaal ingediend
Gegevens van de zaak:
Arrest van Gerechtshof | : Arnhem-Leeuwarden |
Rolnummer | : S23/04942 (21/002497-21) |
Datum arrest | : 4 december 2023 |
In de zaak van | : De heer [verdachte] |
Geboren op | : 27-02-1994 |
Wonende te | : [adres] |
Dossiernummer | : D202400555 |
Advocaten | : mrs. M.M. Kuyp & J.L. Baar |
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn art. 416 lid 2 jo 410 lid 1 Sv geschonden, doordat het oordeel van het hof dat verzoeker tot cassatie niet-ontvankelijk is verklaard in hoger beroep omdat geen bezwaren tegen het vonnis kenbaar zijn gemaakt onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu zowel de verdachte zelf een schriftuur a.b.i. 410 lid 1 Sv heeft ingediend, als de raadsman het bezwaar tegen het vonnis heeft opgegeven.
Toelichting
1.
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Op de eerste plaats heeft verzoeker — anders dan het kennelijk oordeel van het Hof — wel een schriftuur ingediend en op de tweede plaats is — op uitdrukkelijk verzoek van het Hof zelf — door de gemachtigd raadsman het bezwaar tegen het vonnis kenbaar gemaakt.
2.
Het Gerechtshof heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:
‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken.
Daarbij overweegt het hof nog het volgende.
Door of namens de verdachte is niet binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven ex artikel 410 lid 1 Wetboek van Strafvordering ingediend. In hoger beroep hebben zich meerdere raadslieden namens verdachte gesteld en zich vervolgens weer onttrokken.
Namens verdachte is door de derde raadsman die zich heeft gesteld, mr. [betrokkene 1], op 5 oktober 2022 een email verzonden naar het hof waarin de raadsman het hof bericht dat het hoger beroep zich richt tegen de bewezenverklaring. Ook stonden in deze email onderzoekswensen en een aankondiging dat daar nog een nadere toelichting op zou kunnen volgen. De verdediging was bovendien nog op zoek naar een eigen DNA-deskundige. De raadsman heeft zich vervolgens op 11 januari 2023 onttrokken. De raadsman die zich nadien namens de verdachte heeft gesteld (en vervolgens weer heeft onttrokken) heeft zich niet meer uitgelaten over de bewuste email van mr. [betrokkene 1] van 5 oktober 2022.
Verdachte heeft er zelf ook geen blijk van gegeven, nadat mr. [betrokkene 1] zich als zijn raadsman had onttrokken, de door deze raadsman ingediende grief en onderzoekswensen te willen handhaven. Ter terechtzitting van 4 december 2023 is verdachte niet verschenen om alsnog mondeling op de voet van artikel 416 lid 1 Wetboek van Strafvordering zijn bezwaren op te geven. Het hof zal de verdachte, daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.’
Schriftuur houdende groeven door verzoeker zelf ingediend
3.
Verzoeker heeft op 21 mei 2021 om 12:03 per mail verzocht aan een medewerker beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank in Zutphen van 18 mei 2024. Het bericht houdt in:
‘Ik ben het met de uitspraak van de kamer niet eens en ik zou graag mijn kant van het verhaal nog willen toelichten. Hierbij deel ik u mee dat ik graag in hoger beroep wil. Mijn zaaknummer: 05-257882-20’.
4.
Deze mail is terecht opgevat als een volmacht om hoger beroep in te stellen.1. De mail houdt evenwel ook het bericht in dat verzoeker het niet eens is met de uitspraak van de kamer.
5.
Bij de stukken bevindt zich de ‘akte instellen beroep’. Deze zover relevant in:
‘Op 21 mei 2021 kwam ter griffie van deze rechtbank [betrokkene 2] werkzaam als griffiemedewerker te Zutphen die — daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht — verklaarde namens
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ([land]) Vertrokken, onbekend waarheen
hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank, locatie Zutphen, op 18 mei 2021 gewezen.’
6.
De akte houdt geen datum in waarop deze daadwerkelijk is opgemaakt, zodat het ervoor dient te worden gehouden dat deze is opgemaakt op 21 mei 2022.
7.
Op 26 mei 2022 om 14:18 uur verzond verzoeker opnieuw een mail aan de griffie met de navolgende tekst:
‘Ik ben het met de uitspraak van de kamer niet eens en ik zou graag mijn kant van het verhaal nog willen toelichten. Hierbij deel ik u mee dat ik graag in hoger beroep wil. Mijn zaaknummer: 05-257882-20’.
8.
Artikel 410 lid 1 Sv bepaalt:
‘De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. De schriftuur van de verdachte kan langs elektronische weg worden ingediend met behulp van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het gebruik van de elektronische voorziening.’
9.
Hoewel in een schriftuur concrete bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg dienen te worden aangevoerd, blijkt uit de behandeling in de Tweede Kamer dat de minister geen hoge eisen stelt aan de formulering van de grieven of bezwaren (Handelingen II 2006, p. 61-3959).2.
10.
Een schriftuur van het OM waarin enkel wordt aangegeven een nieuwe behandeling in beroep te willen verkrijgen (op basis van een gewijzigde tenlastelegging), is door Uw Raad als voldoende aangemerkt.3. Niet valt in dat verband in te zien waarom de mededeling van verzoeker zelf dat hij het niet eens is met de beslissing van de kamer niet als zodanig kan worden opgevat.
11.
Nu klaarblijkelijk al beroep was ingesteld op 21 mei 2024 kan de e-mail van 26 mei 2024 bezwaarlijk anders dan als schriftuur a.b.i. art. 410 lid 1 Sv worden opgevat, nu aan de vereisten uit het bepaalde in dat artikel is voldaan.
12.
De overweging van het Hof dat ‘door of namens de verdachte is niet binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven ex artikel 410 lid 1 Wetboek van Strafvordering ingediend’, is daarmee onbegrijpelijk of zonder nadere motovering — die ontbreekt — niet zonder meer begrijpelijk. Reeds hierom dient het bestreden arrest te worden vernietigd.
Bezwaren door gemachtigd raadsman
13.
Mr. [betrokkene 1] heeft nadien als advocaat voor verzoeker opgetreden. Op 29 september 2022 is door het Hof een e-mail met de navolgende inhoud aan mr. [betrokkene 1] gestuurd (bijlage 1):
‘Geachte heer [betrokkene 1],
Bovengenoemde zaak is binnengekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Teneinde een voortvarende inhoudelijke behandeling te bevorderen en aanhouding van de zaak te voorkomen, wenst het hof van de procespartijen te vernemen wat de inzet van het ingestelde hoger beroep is en of er onderzoekswensen bestaan. De poortraadsheer zal op de verzoeken beslissen.
Indien de poortraadsheer een positieve beslissing neemt op een verzoek om (een) getuige(n) te horen, dan zal een raadsheer uit de betrokken strafkamer, voorafgaand aan de strafzitting, de getuige(n) horen als gedelegeerd raadsheer-commissaris.
Alvorens de inhoudelijke behandeling van de zaak te plannen verzoek ik u
- 1.
aan te geven of u onderzoekswensen heeft,
- 2.
aan te geven of u er, bij een positieve beslissing van de poortraadsheer op een verzoek tot het horen van (een) getuige(n), bezwaar tegen heeft deze getuige(n) te laten horen door een raadsheer uit de strafkamer die deze strafzaak gaat behandelen, voorafgaand aan de zitting,
- 3.
aan te geven of het een strafmaatappel betreft dan wel dat verdachte zich op het standpunt stelt dat hij ten onrechte is veroordeeld en
- 4.
op te geven hoeveel tijd u verwacht nodig te hebben voor uw pleidooi bij de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Op basis van de door u te verstrekken informatie en de reactie daarop van de advocaat-generaal zal de poortraadsheer bepalen of een onderzoek voorafgaand aan de zitting gestart moet worden.
Om de voortgang te bespoedigen verzoek ik u uw reactie binnen 5 werkdagen naar bovenvermeld mailadres te zenden.
Met vriendelijke groet,
namens de poortraadsheer,
(naam)’
14.
In punt drie van de mail wordt de raadsman gevraagd naar de bezwaren tegen het vonnis.
15.
Op 30 september 2022 volgt een mail waarin wordt aangegeven dat de termijn van 5 dagen niet wordt gehaald.
16.
Op 5 oktober 2022 volgt de inhoudelijke reactie van mr. [betrokkene 1]:
‘Geachte heer (naam),
Wij hadden een eerste overleg met cliënt. Voortgaand op de mail van mijn kantoorgenote Laetitia Moerdijk bericht ik u dat cliënt de verweten gedraging ontkent en het derhalve geen strafmaatappel betreft. Verder bericht ik u dat wij onderzoekswensen hebben. Wij hebben in ieder geval behoefte aan deskundigenonderzoek naar het DNA-materiaal. Wij zijn nog doende een deskundige te vinden. Daarnaast hebben wij de wens om aangeefster als getuige te horen. Dit kan wat ons betreft plaatshebben door een raadsheer uit de kamer. Mijn ervaring is dat een pleidooi in dit soort zaken ongeveer een tot anderhalf uur zal beslaan, maar ik kan niet uitsluiten dat dit in deze zaak naar gelang de uitkomsten van het nadere onderzoek meer tijd vergt. Verder willen wij graag in de gelegenheid worden gesteld de auditieve opnamen van alle verhoren en het informatieve gesprek uit te luisteren, alsmede de 112 melding. Het zou fijn zijn als wij dit op het hoofdbureau te Amsterdam zouden kunnen doen (dat deden wij in andere zaken ook zo en scheelde veel reistijd).
Indien voortgaande ertoe leidt dat een regiezitting gewenst is, dan zijn wij uiteraard graag bereid hiervoor naar het Arnhemse af te reizen. Ook een nadere motivering, indien gewenst, kunnen wij u op korte termijn (wij spreken client ultimo volgende week uitgebreider) sturen. Ik kan mij ook voorstellen dat de zaak open wordt verwezen naar een rechter- of raadsheer-commissaris om op deze punten te beslissen en hieraan uitvoering te geven.
Alvast dank voor de door u te nemen moeite. Uiteraard ben ik graag tot een nadere (telefonische) toelichting bereid. Wellicht wilt u zo vriendelijk zijn deze mail door te geleiden naar de behandelend advocaat-generaal Zwartjes, nu ik niet over zijn/haar mailadres beschik.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 1]’
17.
Uit de mail van de gemachtigd raadsman volgt ondubbelzinnig dat het beroep zich richt tegen de bewezenverklaring. De mail van de raadsman is daarmee ook in lijn met het door verzoeker op 26 mei 2021 duidelijk gemaakte bezwaar. De mail van de raadsman verduidelijkt het bezwaar tegen het vonnis zoals opgegeven en deze keer naar aanleiding van het eigen verzoek van het Hof daartoe.
18.
Uit het arrest van het Hof volgt ook dat het Hof kennis heeft genomen van het bezwaar tegen het vonnis. Materieel is het Hof dan ook duidelijk geweest waar het beroep zich tegen heeft gericht.
19.
De omstandigheid dat een opvolgend raadsman noch de verdachte later de reeds opgegeven bezwaren hebben gehandhaafd maakt dat niet anders. Uit de wet noch de jurisprudentie volgt dat eenmaal opgegeven bezwaren dienen te worden gehandhaafd.
20.
Dat het bezwaar tegen het vonnis voor het Hof duidelijk is geweest, maakt dat geen sprake was van een situatie waarin verzoeker het bezwaar mondeling alsnog had hoeven over te brengen op de terechtzitting in hoger beroep. Dat het tijdstip waarop de raadsman het bezwaar kenbaar heeft gemaakt maakt dat zijn mail niet is op te vatten als een schriftuur houdende grieven maakt een en ander niet anders. Het Hof heeft aan deze omstandigheid — terecht — ook niet aan de niet-ontvankelijkverklaring ten grondslag gelegd.
21.
Het oordeel van het Hof dat
‘de raadsman die zich nadien namens de verdachte heeft gesteld (en vervolgens weer heeft onttrokken) heeft zich niet meer uitgelaten over de bewuste email van mr. [betrokkene 1] van 5 oktober 2022.
Verdachte heeft er zelf ook geen blijk van gegeven, nadat mr. [betrokkene 1] zich als zijn raadsman had onttrokken, de door deze raadsman ingediende grief en onderzoekswensen te willen handhaven. Ter terechtzitting van 4 december 2023 is verdachte niet verschenen om alsnog mondeling op de voet van artikel 416 lid 1 Wetboek van Strafvordering zijn bezwaren op te geven. Het hof zal de verdachte, daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.’,
is daardoor onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
22.
Verzoekt het arrest waarvan beroep te vernietigen en de zaak terug te sturen aan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Volmacht
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. M.M. Kuyp & J.L. Baar, kantoorhoudende aan de Brink 16a (1251 KW) te Laren, die hierdoor verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Laren, 18 september 2024,
M.M. Kuyp
J.L. Baar
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑09‑2024
Hoge Raad 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:994 en Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:571
T&C Strafvordering, commentaar op art. 410 Sv: Schriftuur van appellant/opgeven getuigen en deskundigen, aant. 3 en onder a.
HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4693, NJ 2012/671