Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/14.2.4:14.2.4 Tussenstandpunten
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/14.2.4
14.2.4 Tussenstandpunten
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS365770:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bosse 1994, p. 248-250.
Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/23.
Boschma & Schutte-Veenstra, T&C Burgerlijk Wetboek, artikel 2:80 BW, aant. 4 (online, bijgewerkt 15 februari 2017).
Wet van 15 mei 1981 tot aanpassing van de wetgeving aan de tweede richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht (Stb. 1981, 332).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bosse1 meent dat het duidelijk is dat storting door verrekening geen storing in geld is als bedoeld in artikel 2:191a jo. 2:203a (oud) BW. Hij stemt daarmee in met de opvatting van Van Schilfgaarde (Van de NV en de BV, negende druk, 1992, p.74) dat hier sprake is van een andere inbreng dan een storting in geld waarop echter de regeling inzake inbreng anders dan in geld (2:204a BW) niet van toepassing is. Hij deelt de conclusie van Van Schilfgaarde dat inbreng door verrekening geoorloofd is, maar niet aan controle onderworpen is.
Schoonbrood, Winter en Wezeman2 benoemen de storting door verrekening van de stortingsplicht met een vordering op de BV of NV eveneens als een merkwaardige tussenvorm tussen storting in geld en inbreng in natura. Zij vragen zich af hoe deze vorm van ‘storting’ in het wettelijk systeem moet worden ingepast. Volgens artikel 2:191a/2:80a BW moet de storting in geld geschieden voor zover niet een andere inbreng is overeengekomen. Zij menen dat we hier te maken hebben met een ‘andere inbreng’, waarop echter de regeling inzake inbreng ‘anders dan in geld’ (2:204a/2:94a BW) niet van toepassing is. Het aangaan van de overeenkomst tot verrekening kan vallen onder het ‘aanvaarden van stortingen’ als bedoeld in artikel 2:203/2:93 lid 4 BW. De overeenkomst tot verrekening kan ook na de oprichting door het bestuur worden aangegaan. Zij concluderen dat inbreng door verrekening geoorloofd is, maar niet aan controle onderworpen is. Lichtvaardige instemming met verrekening kan wel leiden tot aansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW en artikel 2:248/138 die ook in artikel 2:203/93 lid 4 BW slot van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
Boschma en Schutte-Veenstra3 menen dat de vennootschap zich eenzijdig op verrekening kan beroepen. Ik begrijp hen zo dat zij, indien dit het geval is, de door de vennootschap ingeroepen verrekening als een storting in geld beschouwen. Compensatie kan echter ook worden overeengekomen. In dat geval, zo menen zij, geschiedt de storting door middel van inbreng anders dan in geld, namelijk door inbreng van een vordering. Hierop is echter de regeling van artikel 2:94a BW niet van toepassing. Deze conclusie baseren zij op het feit dat een bij de Aanpassingswet tweede EEG-richtlijn4 speciaal voor het geval van storting door middel van verrekening geschreven artikel (2:94c BW oud) later is geschrapt. Men kan inbreng door middel van verrekening, zo betogen zij, ook als een figuur sui generis zien die noch onder de inbreng in natura valt, noch onder volstorting in geld. Het bestuur van de vennootschap kan echter aansprakelijk worden gesteld, indien de te verrekenen schuld tevoren is aangegaan zonder voldoende tegenprestatie.5